is een in 1982 gesloten akkoord met de vakbonden om te komen tot een gematigde loonontwikkeling. Men kwam tot inzicht dat de zeer sterke loonontwikkeling in de jaren zestig en zeventig had geleid tot rampzalige gevolgen voor de winstgevenheid en werkgelegenheid.
zijn de kosten die men moet maken om zich een inkomen te verwerven. Deze kosten kunnen (soms met enige beperking) als aftrekpost bij de opgave inkomstenbelasting worden opgevoerd, zoals de reiskosten, vaktiteratuur, beroepskleding, etc..
is een situatie waarin mensen hun plannen niet hoeven te herzien. Dit is o.a. zo gedefinieerd door Hayek.
wordt veroorzaakt door schommelingen in investeringen in vaste activa en duurt als gevolg van vertragingen tijdens de beslissings- en implementatieperiode ongeveer tweemaal zolang dan de Kitchin-cyclus.
hangt samen met schommelingen in investeringen in vlottende activa. De Kitchin-cyclus wordt vaak gezien als een onderdeel van de Junglar-cyclus, d.w.z in een Junglar-cyclus kunnen vaak twee kleinere Kitchin-cycli onderscheiden worden. Hierdoor onstaat het karakteristieke M-patroon.
houdt in dat bij een goede werking van de arbeidsmarkt de lonen in een bedrijfstak met knelpunten relatief meer stijgen dan in een bedrijfstak waar geen knelpunten zijn. Loondifferentiatie is in principe een smeermiddel voor de arbeidsmarkt.
heeft tot gevolg dat sparen minder aantrekkelijk is, omdat later de koopkracht van het geld minder is. Het benadeelt dus de spaarders / geldschieters (crediteuren), maar is gunstig voor schuldenaren (debiteuren), omdat later minder koopkrachtig geld terugbetaald wordt. Het gevolg hiervan is dat de rente zal gaan stijgen, omdat de crediteuren een vergoeding voor de geldontwaarding willen ontvangen.
houdt in dat een (deel van) de baten van kennis weglekt naar derden, zonder dat degene van wie de kennis afkomstig is daarvoor wordt gecompenseerd.
is een stroming in de economische wetenschap die de aandacht vooral richt op de vraagzijde van het economisch proces. De aanhangers van deze stroming worden vraageconomen of "demand side" economen genoemd. De tegenhangers van deze theorie zijn de aanbodeconomen.
houdt in dat een bepaalde categorie (gediplomeerden) de positie van een andere aantast. Bijvoorbeeld een overschot aan hoger opgeleiden zal hun loon doen dalen, waardoor zij banen gaan bezetten die anders door lager opgeleiden zouden worden vervuld.
betreffen alle transacties die wijzigingen tot gevolg hebben in vorderingen en schulden. Bijvoorbeeld de aan- en verkoop van effecten of het afsluiten van een lening.
zijn beroepskosten.
is winst dat wordt gemaakt met bezit. Enkele voorbeelden voor het behalen van vermogenswinst zijn de waardestijging van goederen (bijvoorbeeld het eigenhuis, kunst en antiek), effecten en vreemde valuta(tegoeden). Er treedt vermogenswinst op omdat de goederen tegen een lagere prijs zijn gekocht dan dat ze weer kunnen worden verkocht. Over de vermogenswinst hoeft in Nederland geen belasting te worden betaald. Het is dus geen onderdeel van het belastbaar inkomen, maar vermogensverlies is ook niet aftrekbaar.
is een instelling die toezicht houdt op de verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen.
betreft alle schulden van iemand of een rechtspersoon (bedrijf). Het is dus geleend geld waarover (periodiek) rente en aflossing moet worden betaald.
betekent dat een inkomen alleen nominaal wordt aangepast, maar niet reëel. Men ontvangt alleen de prijscompensatie, waardoor de koopkracht dus gelijk blijft.
is een akkoord waarbij de sociale partners overeenstemming bereikten in het streven naar loonmatiging ten behoeve van werkgelegenheid.
betekent dat een inkomen automatisch aangepast wordt aan de algemene inkomensontwikkeling. Het inkomen zal dan niet alleen nominaal stijgen maar ook reëel (in economisch gunstige perioden).
![]()
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |