..Begrippen L10.
      ..

      Internationale economische betrekkingen en integratie

       

      .

          Alfabetisch register

 

  • algemene trekkingsrechten

    kredietmogelijkheden bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Deze worden ook wel de gewone trekkingsrechten genoemd. Op basis van het quotem mag een land éénmaal 25% van het quotum onvoorwaardelijk lenen (= goudtrekking) , en viermaal 25% tegen (steeds) strengere voorwaarden (= krediettrekkingen). Bij het lenen moet als tegenwaarde eigen valuta worden gestort, waardoor het IMF over meer valuta van het land dat leent beschikt. Een land kan inclusief de voorwaardelijke trekkingsrechten lenen tot het IMF 200% van het quotum aan valuta van dat land beschikt. Bij toetreding tot het IMF heeft een land al 75% van het quotum aan eigen valuta gestort, naast de storing van 25% aan goud. Dus hierdoor kan een land op basis van deze trekkingsrechten maximaal een schuld hebben bij het IMF ter grootte van 125% van het quotum; (1 x 25% plus 4 x 25%).

  • argumenten voor protectionisme
  • zijn meestal de bescherming van eigen industrie en werkgelegenheid tegen buitenlandse concurrentie, anti-dumpingsargument en het opvoedingsargument.

  • anti-dumpingsargument
  • wil voorkomen dat het buitenland beneden de kostprijs goederen gaat invoeren.

  • appreciatie....................................................................................
  • koersstijging van een munt door wijzigingen in het vrije spel van vraag en aanbod. Bij een flexibel wisselkoerssysteem spreekt men altijd van appreciatie of depreciatie. Maar ook bij een vast systeem kan van appreciatie of depreciatie gesproken worden als de wijziging tussen de interventiegrenzen plaats vindt als gevolg van wijziging in vraag en/of aanbod. Worden de interventiegrenzen verlegt (ten opzichte van de partnerlanden) dan spreekt men van revaluatie of devaluatie. Verleggen van de interventiegrenzen betekent in feite wijziging van de spilkoers of pariteit.

  • argumenten voor protectie
  • zijn bijvoorbeeld het opvoedingsmotief, het werkgelegenheidsargument (bescherming van eigen indusrie), exportdiversificatie, en het anti-dumpingsargument.

  • autarkie
  • betekent dat een land onafhankelijk is van het buitenland

  • bandbreedte
  • maximaal toegestane verschil tussen hoogste en laagste koers (de interventiegrenzen) van een valuta bij een systeem van vaste wisselkoersen. Het midden van de bandbreedte is de spilkoers (ook wel pariteit of middenkoers genoemd)

  • basic balance
  • houdt in dat het saldo van de lopende rekening gecompenseerd wordt door het (tegengestelde) saldo van het stucturele kapitaalverkeer van de kapitaalbalans. Dit wordt ook wel fundamenteel evenwicht genoemd. Als gevolg van het incidentele kapitaalverkeer is er bij basic balance sprake van een saldo op de goud en deviezenbalans ter grootte van het incidentele kapitaalverkeer. Wanneer het saldo op de goud en deviezenbalans nihil is spreekt men van materieel evenwicht.

  • betalingsbalans...............................................................................
  • overzicht van alle in geld uitgedrukte transacties van een land met het buitenland in een jaar tijd. Een betalingsbalans is in boekhoudkundige termen eigenlijk geen balans, omdat het een periode betreft en geen tijdstip zoals bij een "echte" balans. Op de betalingsbalans staan stroomgrootheden (= grootheden die gedurende een periode worden gevormd) en op een balans staan voorraadgrootheden (= grootheden die op een moment een waarde hebben, dus aanwezig zijn). De betalingsbalans is meer te vergelijken met de resultatenrekening in de bedrijfseconomie, omdat daar ook sprake is van stroomgrootheden. Een betalingsbalans kan geregistreerd worden op kasbasis en op transactiebasis, en is opgebouwd uit verschillende (meestal vijf) deelbalansen.

  • betalingsbalansevenwicht
  • is te onderscheiden in fundamenteel evenwicht en materieel evenwicht. Daarnaast kent men nog het begrip formeel evenwicht, hetgeen betekent dat via salderingsposten de beide zijden van de betalingsbalans dezelfde totaaltelling heeft. Een opgestelde betalingsbalans is dus formeel altijd in evenwicht, tenzij men rekenfouten heeft gemaakt.

  • betalingsbalansoverschot
  • zonder nadere aanduiding, wordt er meestal een totaal overschot mee bedoeld. Het betreft dan de hoeveelheid goud en deviezen die uit het buitenland zijn toegevloeid. (Maar sommige auteurs bedoelen een overschot op de lopende rekening.) Een betalingsbalansoverschot is om twee redenen niet goed: 1e Mondiaal gezien veroorzaakt het overschot van het ene land een tekort bij een ander land; 2e Het toegevloeide overschot aan deviezen kan op een onaanvaardbare wijze de liquiditeitenmassa doen toenemen, waardoor er een inflatoire druk kan onstaan (of anders gezegd: bestedingsinflatie).

  • betalingsbalans ontwikkelingsland
  • vertoont vaak een ernstig tekort. Kenmerkend is de negatieve inkomensrekening als gevolg van de rentebetalingen op de hoge schuldenlast. Daarnaast is men vaak gedwongen om nieuwe leningen aan te gaan om de aflossingen (en rente) op de oude leningen te kunnen voldoen, waardoor de kapitaalbalans positief is. Het ontwikkelingsland komt hierdoor in een vicieuze cirkel terecht.

  • betalingsbalanstekort
  • zonder nadere aanduiding, wordt meestal een totaal tekort mee bedoeld. Het betreft dan de hoeveelheid goud en deviezen die naar het buitenland zijn afgevloeid. Maar sommige auteurs bedoelen een tekort op de lopende rekening.

  • biedkoers
  • is de prijs waarvoor de banken vreemde valuta willen kopen.

  • bijzondere trekkingsrechten (SDR's)
  • onvoorwaardelijk trekkingsrechten op het IMF. Deze in eind 1967 te Rio de Janeiro afgesproken rechten zijn toen gecreëerd om in de groeiende behoefte te voorzien aan een internationale liquiditeit naast de dollar. De oorspronkelijke waarde was toen uitgedrukt in een bepaalde hoeveelheid goud (men sprak toen van papiergoud), maar na de devaluatie van de dollar in 1971 en 1972, en het opheffen van de convertibiliteit (= inwisselbaarheid) van de dollar in goud nam men als waarde voor de SDR een gewogengemiddelde van 16 sterkste valuta in de wereld (valutabasket). Thans is de SDR (meer dan vijftien jaar) uitgedrukt in een pakket van vijf sterkste/belangrijkste valuta (dollar, mark, yen , pond(En) en frank(FR)). De SDR's zijn tegenwoordig op te vatten als een soort van giraal betaalmiddel, waarmee Centrale banken in de wereld elkaars valuta kunnen kopen.

  • bilaterale hulp
  • is (ontwikkelings)hulp dat rechtstreeks van land tot land wordt verstrekt. De meeste bilaterale hulp is gebonden hulp.

  • binnentarief
  • is het invoertarief tussen landen (leden) van een vrijhandelsgebied.

  • buitentarief
  • invoertarief voor producten uit landen die niet lid zijn van het vrijhandelsgebied.

  • comparatieve kostenverschillen(Wet van Ricardo)
  • internationale handel is (alleen) voordelig als er sprake is van comparatieve (of relatieve) kostenverschillen. Dat betekent dat als er tussen twee landen een comparatief (of relatief) kostenverschil bestaat, is het voor beide landen voordelig als elk van de twee landen zich specialiseert in de productie van het goed waarin het een relatief kostenvoordeel heeft of het kleinste relatieve kostennadeel.

  • contingentering
  • zie invoercontingent

  • certificaat van oorsprong
  • is een document waaruit blijkt in welk land de goederen (geheel of gedeeltelijk) gemaakt zijn (of van afkomstig zijn). Het is een document dat bestemd is voor de douane-controle. Aan de hand van dit document kan men nagaan of het juiste bedrag aan invoerrechten wordt betaald. Het document is vooral belangrijk bij een vrijhandelsgebied.

  • compensatiehandel
  • is een afspraak dat het exporterend land de verplichting heeft om een bepaald bedrag in het importerend land te besteden.

  • convertibel
  • betekent vrij inwisselbaar. Vrij inwisselbare valuta zijn convertibel, d.w.z. dat ze gemakkelijk om te zetten zijn in andere valuta. Wanneer een valuta internationaal gezien overal algemeen goed wordt geaccepteerd, spreekt men van een sleutelvaluta. Een sleutelvaluta kan men dan ook een internationale liquiditeit noemen.

  • convertibiliteit
  • is het vrij inwisselbaar (convertibel) zijn.

  • deelbalans
  • van de betalingsbalans is een onderdeel van de totale publicatie. De totale betalingsbalans is meestal opgebouwd uit de volgende vijf deelbalansen: goederenbalans, dienstenbalans, inkomensrekening, kapitaalbalans en de goud- en deviezenbalans. De eerste drie vormen de lopende rekening van de betalingsbalans.

  • dekkingspercentage (goederenbalans)
  • is de waarde van de uitvoer uitgedrukt als percentage van de invoer.

  • depreciatie....................................................................................
  • koersdaling van een munt als gevolg van een wijziging in het vrije spel van vraag en aanbod. Het betreft een koersdaling bij een flexibel wisselkoerssysteem, of een daling binnen de bandbreedte van een vast systeem.

  • devaluatie
  • is een officiële koers verlaging, waarbij de monetaire autoriteiten de spilkoers hebben verlaagd. Bij langdurige betalingsbalanstekorten zal een land genoodzaakt zijn de valuta te devalueren (als andere maatregelen niet meer helpen). Bij devaluatie wordt voor het land de invoer duurder, en voor het buitenland wordt de export van het land goedkoper. Hierdoor zal door de toegenomen export en de afgenomen import (meestal) het betalingsbalanstekort afnemen.

  • deviezen
  • zijn alle goed inwisselbare vreemde valuta. Men spreekt ook wel van goede convertibele valuta. Valuta, die onderling goed om te wisselen zijn, en dus internationaal gezien goed als betaalmiddel wordt geaccepteerd. Wanneer een valuta zeer goed convertibel is, spreekt men van een internationale liquiditeit.

  • deviezenvoorschriften
  • zijn voorschriften om te voorkomen dat er te veel. deviezen uit een land wegvloeien.

  • dienstenbalans
  • deelbalans van de betalingsbalans waarop de ontvangsten en uitgaven van de diensten worden vermeld. Voorbeelden van diensten zijn het transportverkeer, toerisme en het doen van allerlei werkzaamheden (projecten) zoals het bouwen/ aanleggen van bruggen, dijken, havens, vliegvelden etc. in het buitenland.

  • donorland
  • is een land dat hulp biedt aan de ontwikkelingslanden.

  • douane unie
  • is een stap verder dan een VHZ. Naast een vrij verkeer van goederen en diensten hebbben de lidstaten nu ook een gemeenschappelijk buitentarief.

  • dumping
  • is het verkopen van goederen in het buitenland tegen veel lagere prijzen dan in het binnenland. Het motief kan zijn om een nieuw afzetgebied te veroveren, of het lozen van overtollige voorraden tegen zeer lage prijzen.

  • Economische en Sociaal Comité
  • is een orgaan dat adviserend optreedt ten aanzien van de Europese Commissie. Het is in grote lijnen te veregelijken met de Sociaal Economische Raad in Nederland.

  • economische integratie
  • kent de volgende vormen (stadia) : vrijhandelsgebied, douane-unie, gemeenschappelijke markt, economische unie, en tenslotte de volledige integratie. Daarnaast bestaat nog de monetaire unie en de politiek unie als aparte vormen. De huidige integratie van Europa is gericht op het tot stand brengen van een economische en monetaire unie.

  • Economische unie.........................................................................
  • heeft de kenmerken van een gemeenschappelijke markt plus harmonisatie van het sociaal economische (fiscale en juridische) stelsel met gemeenschappelijke beleidsorganen met een supra-nationaal karakter. De EG is thans opgegaan en de Europese Unie en is in een vergevorderd stadium van een economische unie.

  • ECU
  • is voor de Europese Gemeenschap te vergelijken met de SDR van het IMF voor de wereld. Het is een rekeneenheid en een soort giraal betaalmiddel waarmee Centrale banken elkaars valuta kopen. De waarde van de ECU is een gewogen gemiddelde van de valuta van de Europese lidstaten. sinds 1 januari 1999 is de ecu opgegaan in de euro.

  • effect devaluatie op langere termijn
  • valt tegen, omdat door de devaluatie van de valuta de invoer duurder is geworden. Hierdoor zal er een opwaartse druk ontstaan op het prijspeil (kosteninflatie), waardoor de concurrentiepositie van het land verslechtert. Mogelijk kan dit leiden tot een nieuwe devaluatie.

  • EG
  • europese gemeenschap. Is ontstaan in 1967 door fusie van de EEG, de EGKS en Euratom. Thans is de EG opgegaan in de EU

  • EMS.............................................................................................
  • Europees Monetair Stelsel; afspraak tussen EG-landen om hun onderlinge wisselkoersschommelingen te beperken. In principe is het een vast wisselkoerssysteem, waarbij de koers van de valuta zich mag bewegen binnen een kleine marge boven en onder de afgesproken koers. De afgesproken koers wordt de spilkoers genoemd, en de marge de bandbreedte. Het EMS is de opvolger van het Slang-akkoord. Het stelsel werd in 1978 te Bremen opgericht en in 1979 trad het in werking. Toen namen acht van de tien EG-landen er aan deel.

  • Europese Commissie
  • is het dagelijksbestuur van de EU. Het doet voorstellen en voert besluiten uit.

  • Europese Parlement
  • is het democratisch controle orgaan. Het oefent controle uit op de Europese Commissie en de Raad van Ministers. Het Eropese Parlement wordt ook wel de Assemblee genoemd.

  • Europese Unie
  • is voortgekomen uit de EGKS, de EEG en Euratoom. Het aantal lidstaten is inmiddels uitgegroeid van zes naar vijftien.

  • eurovalutamarkt
  • internationale markt voor kredieten in andere valuta dan die van de kredietgever en de kredietnemer.

  • exportdiversificatie
  • heeft betrekking op de samenstelling van het exportpakket. Door een bredere samenstelling is een land minder afhankelijk van de export van één soort goed.

  • flexibele wisselkoers
  • is een koers die tot stand komt door het vrije spel van vraag en aanbod. Er zijn geen interventiegrenzen. De prijsverschillen tussen twee of meer valuta's worden veroorzaakt door vraag en aanbod. Men spreekt ook wel van zwevende wisselkoersen. Het voordeel van flexibele wisselkoersen is dat er automatisch evenwicht ontstaat op de betalingsbalans. Het nadeel zit in de grote onzekerheid over het koersverloop, hetgeen remmend kan werken op het tot stand komen van internationale transacties.

  • formeel evenwicht
  • is er altijd op de betalingsbalans. Via de salderingspost(en) is de totaaltelling aan de uitgavenkant gelijk aan de inkomstenkant. De salderingspost betreft de af- of toevloeiïng van (goud en) deviezen. Maar in het spraakgebruik gaat het om het fundamenteel en materieel evenwicht.

  • fundamenteel evenwicht
  • is prake van als het saldo van de lopende rekening geconpenseerd wordt door het (tegensgesteld) saldo van het structurele kapitaalverkeer. Naast het fundamentele evenwicht onderscheidt men het materiële evenwicht.

  • GATT
  • is de oorspronkelijke naam voor de WTO. Het is de algemene overeenkomst inzake tarieven en handel . Deze organisatie is in 1947 opgericht met het doel te streven naar meer vrijhandel. Dus te komen tot geleidelijke afschaffing van de handelsbelemmeringen. De belangrijkste afspraak is de meest begunstigingsclausule, ook wel non-discriminatie verdrag genoemd. Bekende wereldhandelsconferenties in het kader van de GATT zijn de Kennedy-ronde, Tokio-ronde en de Uruguay-ronde.

  • gebonden hulp
  • is een vorm van (ontwikkelings)hulp waarbij het ontvangende land verplicht is tot besteding in het donorland.

  • gemeenschappelijke markt..............................................................
  • tussen lidstaten is een vrij verkeer van goederen, diensten en produktiefactoren (arbeid en kapitaal) en er is een gemeenschappelijk buitentarief. De gemeenschappelijke markt is dus één stap verder dan de douane unie (namelijk nu ook vrij verkeer van productiefactoren).

  • goederenbalans
  • deelbalans van de betalingsbalans waarop de waarde van de in- en uitgevoerde goederen wordt geregistreerd. Het betreft dus materiële zaken, waaronder bijvoorbeeld ook aardgas. De goederenbalans wordt ook wel de handelsbalans genoemd.

  • goudakkoord
  • is het in 1975 in Washington gesloten akkoord om de positie van het goud in het internationale geldverkeer flink te verminderen. Het akkoord werd in 1977 van kracht en sindsdien heeft het IMF een groot deel van de goudvoorraad verkocht.

  • goud- en deviezenbalans
  • wordt het saldo vermeld in de voorraad deviezen, goud en onvoorwaardelijke trekkingsrechten en ECU-vordering op het EFMS, waarover de centrale bank beschikt.

  • grondstoffenbuffervoorraad
  • heeft de functie om de prijsschommelingen in bepaalde grondstoffen te egaliseren. Vooral de ontwikkelingslanden, als grondstofleveranciers (en vaak als monocultuur), hebben een nadeel als de grondstofprijs daalt. Hun inkomsten dalen, waardoor hun betalingsbalanspositie verder verslechterd. Doordat het beheer van het fonds ten tijde van een prijsdaling als vrager optreedt, en ten tijde van een prijsstijging als aanbieder, voorkomt men zo grote schommelingen. Tevens boekt men transactiewinst, waaruit het beheer gefinancierd kan worden.

  • grondstoffenovereenkomst
  • is een overeenkomst tussen landen om de grondstofprijzen te stabiliseren.

  • handelsbalans
  • zie goederenbalans.

  • handelsprotectie
  • zijn allerlei maatregelen die de buitenlandse producten aan de grenzen moet weren. Deze maatregelen ("instrumenten van handelspolitiek") kunnen worden onderscheiden in tarifaire en non-tarifaire belemmeringen.

  • harde valuta
  • is een valuta die gemakkelijk om te wisselen is in andere geldeenheden. De convertibiliteit is dus goed, en deze valuta's worden dan ook wel sleutelvaluta's genoemd.

  • Hof van Justitie
  • is het orgaan voor de rechtsgang in de EU, waaraan landen en individuen hun klachten met betrekking tot europese aangelegenheden kunnen voorleggen..

  • IMF..............................................................................................
  • internationaal monetair fonds. Opgericht in 1944 te Bretton Woods door ongeveer tachtig niet-communistische landen met het doel het door de Tweede Wereldoorlog ontregelde betalingsverkeer weer in goede banen te leiden. Afgesproken werd een vrij betalingsverkeer over de lopende rekening, een systeem van vaste wisselkoersen, en de gewone trekkingsrechten op basis van het quotum. De functie van het huidige IMF is vooral het verstrekken van kredieten aan de lidstaten, ingeval van betalingsbalansproblemen.

  • importpenetratie
  • is een handelspolitiek waarin de invoer de binnenlandse productie van een goed bepekt.

  • incidentele kapitaalverkeer
  • is dat deel van het kapitaalverkeer (geregistreerd op de kapitaalbalans) dat een kortstondig karakter heeft. Dit kapitaal is gevoelig voor rente- en koersschommelingen in de wereld. Dit kapitaal kan plotseling komen en verdwijnen, en wordt ook wel het internationale zwerfkapitaal genoemd of vagebonderend kapitaal. Een onderdeel hiervan is ook het speculatieve kapitaalverkeer.

  • inkomensrekening
  • is de moderne naam voor de kapitaalopbrengstenbalans. Op deze rekening worden de primaire inkomens (en inkomensoverdrachten) van en naar het buitenland geboekt. Tot de primaire inkomens behoren de arbeidsinkomens, interest en dividend.

  • intergouvernementeel
  • is een samenwerkingsverband, waarbij de nationale regeringen van de deelnemende landen elke beslissing moeten goedkeuren.

  • internationale liquiditeiten
  • zijn betaalmiddelen, waarmee men in het kader van de internationale handel overal mee kan betalen. Dit zijn de sleutelvaluta's, de SDR's , maar ook nog steeds goud. Sinds het opheffen van de convertibiliteit van de dollar in goud in 1972, is de monetaire betekenis van goud steeds verder teruggedrongen. Zie ook het goudakkoord.

  • interventiegrenzen
  • zijn de grenzen waartussen de wisselkoers vrij mag schommelen bij een vast wisselkoerssysteem. Dreigt de koers boven de hoogste grens te komen dan is de centrale bank verplicht haar eigen munt aan te bieden (in ruil voor vreemde valuta) tegen deze hoogste koers. Er vindt dan toevloeiïng van "goud en deviezen" plaats. Dreigt echter de koers onder de laagste grens te komen dan is de centrale bank verplicht haar eigen munt aan te kopen (in ruil voor vreemde valuta) tegen deze laagste koers en er vindt afvloeiïng van "goud en deviezen" plaats.

  • interventiepunt (interventiekoers)............................................
  • uiterste koers (interventiegrens) waarbij de centrale banken verplicht zijn door steunaankopen of -verkopen de wisselkoers van hun munt zodanig te beinvloeden, dat deze binnen de bandbreedte blijft

  • invoercontingent (of quotum)
  • houdt in dat de invoer van goederen aan een bepaald maximun is gebonden (in een bepaalde periode). Een dergelijk maximum kan in een bepaalde hoeveelheid worden uitgedrukt of in een bepaalde waarde.

  • invoerrechten
  • zijn belastingen die geheven worden op importgoederen. Men onderscheidt fiscale rechten en protectionische rechten. Ook kan men onderscheid maken in ad valorem en in specifieke invoerrechten.

  • kapitaalbalans
  • deelbalans van de betalingsbalans waarop de in een jaar ontvangen en verstrekte kredieten worden genoteerd, en de investeringen vanuit het buitenland en naar het buitenland.Op de kapitaalbalans maakt men onderscheid tussen incidenteel en structureel kapitaalverkeer. De rente van kredieten worden geboekt op de inkomensrekening. Dit geldt ook voor de opbrengsten van de investeringen (de dividenden).

  • kapitaalopbrengstenbalans
  • deelbalans van de betalingsbalans waarop betalingen en ontvangsten van primaire inkomens worden geregistreerd. Dit betekent de ontvangen en betaalde rente, dividend en beloningen voor bijvoorbeeld Nederlanders die in het buitenland werken en buitenlanders die in Nederland werken. De kapitaalopbrengstenbalans wordt tegenwoordig inkomensrekening genoemd, omdat de niet-kapitaalopbrengsten een steeds groter deel is gaan vormen. N.B. aflossingen van leningen worden geboekt op de kapitaalbalans!

  • kasbasis.........................................................................................
  • is een systeem waarbij het moment van betalen het criterium (= beslissend punt)is. Bij een betalingsbalans op kasbasis neemt men alle betalingen met het buitenland vanaf 1 januari tot en met 31 december in een bepaald jaar. De Nederlansche Bank (DNB) registreert van Nederland de betalingsbalans op kasbasis. Een andere manier van registratie is op transactiebasis.

  • laatkoers
  • is de koers waarvoor banken vreemde valuta's willen verkopen.

  • lopende rekening
  • van de betalingsbalans het totaal van de eerste drie deelrekeningen van de betalingsbalans (goederenbalans, dienstenbalans, en de inkomensrekening) .

  • materieel evenwicht
  • is sprake van als per saldo geen toe- of afvloeiïng plaats vindt van (goud- of) deviezen. De vraag naar buitenlandse valuta is dan ook (min of meer) gelijk naar eigenvaluta. Een situatie waarbij de wisselkoers op peil blijft. Wanneer zo'n situatie zich kan handhaven zonder ingrijpen van de monetaire autoriteiten, dan kan men echt spreken van een betalingsbalansevenwicht.

  • materieel saldo
  • van de betalingsbalans het saldo van de lopende rekening verrekend met het saldo op de kapitaalrekening. Het betreft dus het totaal overschot of tekort. Een overschot betekent een toevloeiïng en een tekort een afvloeiïng van (goud en) deviezen. Een overschot op de betalingsbalans is voor een land natuurlijk een gunstigere positie dan een tekort. Maar een (langdurig) overschot is ook niet goed. Hier zijn twee redenen voor aan te voeren. Ten eerste betekent een overschot bij het ene land dat er (mondeaal gezien) een tekort wordt veroorzaakt bij één of meerdere andere land(en). Ten tweede zal in het overschot land kans op inflatie ontstaan, als de verdiende deviezen omgezet worden in geld en voor bestedingen worden aangewend. Men zegt ook wel, dat een overschot betekent, dat er sprake is van een (latente) inflatoire druk.

  • meestbegunstigingsclausule
  • ofwel het non-discriminatiebeginsel houdt in, dat als een land dat lid is van de GATT een lidstaat een tariefvoordeel verleent, dan kunnen alle andere lidstaten dit voordeel ook opeisen. Deze clausule is de belangrijkste afspraak, die gemaakt is bij het oprichten van de GATT. Dit beginsel wordt ook wel de "most-favoured nation clause" genoemd. Tegenwoordig heet de GATT de WTO (world trade organization).

  • monetaire unie
  • omvat landen die gezamelijk één munteenheid hebben, en onderling een volkomen vrij betalingsverkeer.

  • multilaterale hulp
  • is ontwikkelingshulp die via internationale organisaties wordt verstrekt.

  • non-tarifaire belemmeringen
  • zijn alle maatregelen, die niet met tarieven te maken hebben, maar toch een handelsbarrière vormen. Meestal zijn dit allerlei voorschriften en administratieve handelingen.

  • oorzaak van comparatieve kostenverschillen
  • kan heel verschillend zijn. De belangrijkste oorzaken zijn het verschil in kwaliteiten van de productiefactoren. Bijvoorbeeld de gebruikte technologieën, de scholingsgraad van de werknemers, de geologische en klimatologische omstandigheden etc.

  • ontwikkelingsland
  • heeft als algemeen kenmerk een laag inkomen per hoofd van de bevolking. Andere kenmerkende problemen zijn: een slechte infrastructuur, lage scholingsgraad, ernstige betalingsbalansproblemen en een hoge buitenlandse schuld.

  • onzichtbare verkeer
  • is vaak de aanduiding voor de diensten- en inkomensrekening tezamen.

  • open economie
  • houdt in dat een land (intensieve) handelsbetrekkingen onderhoudt met het buitenland.

  • opvoedingsargument
  • houdt in dat jonge industrie tegen machtige buitenlandse concurrentie beschermd dient te worden, totdat deze de concurrentie aankan.

  • organen van de EU
  • zijn: de Raad van Ministers, de Europese Commissie, het Europese Parlement, het Hof van Justitie en het Sociaal en economisch committee.

  • pariteit
  • is de spilkoers of middenkoers.

  • programmahulp (concentratielanden)
  • is een vorm van ontwikkelingshulp, waarbij de overheid heeft gekozen voor enkele ontwikkelingsplannen. In plaats van alle ontwikkelinglanden een beetje hulp te bieden, wordt nu de hulp geconcentreerd, waardoor de kans op succes veel groter is. Wordt de hulp zoveel mogelijk aangewend voor de armste landen, dan spreekt men ook wel van concentratielanden.

    protectie

  • quotum bij het IMF.........................................................................
  • is soort "aandeel" dat een lidstaat heeft bij het IMF. Bij toetreding heeft een land 25% van het quotum in goud moeten storten en 75% in eigen valuta. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid dat het IMF allerlei leningen kan verstekken. De rechten om te lenen worden trekkingsrechten genoemd. De omvang van het quotum zal het deelnemend land laten afhangen van de (te verwachten) deelname in het handelsverkeer.

  • Raad van Ministers
  • is het beleidsbepalend orgaan. De samenstelling is wisseld van personen en afhankelijk van het te bespreken agenda. Het bespreekt voorstellen van de Europese Commissie en neemt besluiten, die bindend zijn voor de lidstaten. Bij de besluitvorming heeft elk land het recht van veto. Doordat de besluiten bindend zijn voor de lidstaten is het een supranationaal orgaan.

  • registratiesystemen (betalingsbalans)
  • zijn te verdelen in een systeem op kasbasis en een systeem op transactiebasis.

  • revaluatie
  • officiële verhoging van de wisselkoers, door de monetaire autoriteiten bij een vast wisselkoerssysteem. Hierbij wordt dus de spilkoers verhoogd.

  • ruilvoet
  • gemiddeld exportprijspeil/gemiddeld importprijspeil. Of nauwkeuriger als indexcijfer uitgedrukt: het prijsindexcijfer van de uitvoer gedeeld door het prijsindexcijfer van de invoer (x 100%).

  • ruilvoetverbetering
  • betekent een stijging van de ruilvoet.

  • ruilvoetverslechtering
  • betekent een daling van de ruilvoet.

  • SDR
  • zie bijzondere trekkingsrechten

  • slang-akkoord
  • is een monetair akkoord dat een systeem van vaste wisselkoersen (eigenlijk beperkt zwevend) inhield tussen enkele Europese landen, terwijl deze valuta gezamelijk zweefden ten opzichte van de dollar. Het werd in 1972 gesloten, naar aanleiding van het ontstaan van een systeem van flexibele wisselkoersen in het internationale geldverkeer, doordat de VS de dollar na devaluatie in 1971 lieten zweven. In 1978/1979 ging het slang-akkoord op in het Europees Monetair Stelsel (EMS).

  • sleutelvaluta .................................................................................
  • internationaal goed geaccepteerde valuta. Jarenlang is dit hoofdzakelijk alleen de dollar (US) geweest. Maar tegenwoordig is ook de yen(J), de mark (D) en het pond(Eng) internationaal goed inwisselbaar. De sleutelvata's kan men tot de internationale liquiditeiten rekenen

  • speculatieve kapitaalverkeer
  • is kortlopend kapitaalverkeer dat veroorzaakt wordt door mogelijke koersaanpassingen, die ook weer het gevolg kunnen zijn van onzekere gebeurtenissen. Bijvoorbeeld een belangrijke factor is de ontwikkeling van de dollarkoers.

  • spilkoers
  • officiëel vastgestelde koersverhouding tussen twee valuta, bij een systeem van vaste wisselkoersen.

  • stabiele wisselkoers
  • de koersen veranderen nauwelijks.

  • structurele kapitaalverkeer
  • is dat gedeelte van de kapitaalverkeer (dat geregistreerd wordt op de kapitaalbalans) dat een langdurig karakter heeft. Dit kapitaalverkeer wordt niet zo snel beinvloed door rente en koersschommelingen (in de wereld). Het gedeelte van het kapitaalverkeer dat hiervoor wel gevoelig is wordt het incidentele kapitaalverkeer genoemd.

  • supra-nationaal
  • betekent dat de besluiten door een gemeenschappelijk beleidsorgaan genomen, bindend zijn voor de lidstaten. In feite staat het orgaan boven de nationale regeringen.

  • tarifaire belemmeringen
  • zijn alle maatregelen, die op basis van een tarievenstructuur eigen producten beschermt tegen concurrentie van buitenlandse producten. Tot de tarifaire maatregelen behoren invoerrechten, import- en exportsubsidies. Maar ook kan men er de invoercontingenten onder rekenen.

  • transactiebasis
  • is een systeem waarbij het moment van transport over de grens als criterium (= beslissend punt) is. Hierbij gaat men uit van de douanegegevens. Bij een betalingsbalans op transactiebasis neemt men alle transacties, op basis van de douane gegevens, met het buitenland vanaf i januari tot en met 31 december in een bepaald jaar. Het CBS registreert voor Nederland de betalingsbalans op transactiebasis. De Nederlandsche Bank publiceert de betalingsbalansgegevens op kasbasis.

  • trekkingsrechten bij het IMF............................................................
  • zijn rechten van een lidstaat om bij het IMF te lenen. Dit lenen (trekken genoemd) is kopen en lenen tegelijk. Bij het lenen moet een lidstaat de tegenwaarde in eigen valuta ij het IMF storten.Afgesproken is bij oprichting van het IMF, dat lidstaten niet meer dan 200% van het quotum aan vuluta bij het IMF (als tegenwaarde) mag hebben staan. Omdat men bij toetreding reeds 75% heeft moeten storten, is er dus nog een kredietruimte van 125% van het quotum. Zo ontstaat de 1 x 25% goudtrekking en 4 x 25% krediettrekkingen, die ook de algemene trekkingsrechten worden genoemd. In najaar 1967 op de jaarvergadering van het IMF te Rio de Janeiro de SDR's in het levengeroepen, om te kunnen voorzien in de groeiende behoefte aan internationale liquiditeiten.

  • UNCTAD
  • is de United Nations Conference on Trade and Development. Deze organiatie organiseert conferenties waar voorstellen gedaan worden aan de Verenigde Naties ten aanzien internationale handel en ontwikkeling veelal met betrekking tot de positie van de arme landen.

  • vaste wisselkoersen
  • is een stelsel waarbij de lidstaten een vaste ruilverhouding (= spilkoers) hebben afgesproken, waar de nationale valuta slechts een klein percentage van mag afwijken, binnen een bandbreedte (interventiegrenzen) om de spilkoers moet blijven. Het voordeel van vaste wisselkoersen is de grotere zekerheid die men heeft over het koersverloop, waardoor internationale transacties gemakkelijker worden afgesloten. Het nadeel is dat de Centrale Bank verplicht is tot steunaankopen of steunverkopen verplicht is om de koers niet buiten de interventiegrenzen te laten komen, hetgeen kan leiden tot een betalingsbalanstekort of overschot.

  • valuta
  • is een geldeenheid (meestal internationaal gezien). Bijvoorbeeld harde valuta's zijn de dollar, mark, yen, gulden etc.

  • voordeel internationale handel
  • ligt vooral in het benutten van de voordelen van specialisatie. Elk land legt zich toe op de productie van goederen waar het een voorsprong in heeft, of (relatief gezien) het beste in is. Mondiaal gezien is de productie hierdoor veel groter en het welvaartsniveau veel hoger dan zonder internationele handel. Zie eventueel ook de Wet van Ricardo.

  • vrijhandel
  • betekent dat de overheden zich onthouden van allerlei protectionistische maatregelen. Hoewel vrijhandel leidt tot veel voordelen voor de betrokken landen komt handelsprotectie toch veel voor.

  • vrijhandelsgebied (of vrijhandelszone)
  • (VHZ) vrij verkeer van goederen en diensten (leden heffen geen invoerrechten op elkaars produkten), maar er is geen gemeenschappelijk buitentarief. Hierdoor ontstaat het probleem dat de invoer van buiten het vrijhandelsgebied plaats gaat vinden via het land met laagste buitentarief. Dit probleem kan deels opgelost worden door het certificaat van oorsprong.

  • Wereldbank ..................................................................................
  • verstrekt langlopende leningen aan de ontwikkelingslanden tegen de geldende geldmarktrente

  • wisselkoers
  • ruilverhouding (waarde) van een munt ten opzichte van buitenlands geld. Het is de prijs van een eenheid vreemde valuta uitgedrukt in de nationale valuta. Men onderscheidt flexibele of zwevende wisselkoersen en vaste wisselkoersen.

  • wisselkoerspariteit (= spilkoers = middenkoers).................................
  • zie de spilkoers.

  • WTO
  • is de World Trade Organization. Het is de opvolger van de GATT per 1 januari 1995. Bij deze organisatie hebben zich inmiddels meer dan honderd landen aangeloten, waaronder vrijwel alle westerse landen. Maar na het verdwijnen van het communisme zoeken steeds meer landen van de voormalige Sovjet-Unie toenadering tot de WTO. De doelstelling van de WTO is het streven naar een ordelijk handelsverkeer met zo weinig mogelijk belemmeringen (vrijhandel). Het uitgangspunt is het non-discriminatiebeginsel.

  • zachte valuta
  • is een valuta die niet (of moeilijk) om te wisselen is voor een andere geldeenheid. De convertibiliteit is dus slecht.

  • zachte voorwaarden (leningen)
  • betreft leningen met een lage rente en/of gemakkelijke afbetalingsvoorwaarden (zeer lange periode van afbetalen).

    Disclaimer

    U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen.

    Copyright © M. Kalk, Lelystad