..Begrippen L9
        ..

        Collectieve sector, economische orde en politiek

         

        .

            Alfabetisch register


  • accijns
  • kostprijs verhogende belasting (op bv. alcohol en tabak). Doormiddel van het accijns probeert de overheid de consumptie van bepaalde goederen af te remmen. bijvoorbeeld het accijns op tabak, alcohol en benzine. Deze goederen worden ook wel demerit-goederen genoemd.

  • algemene middelen
  • zijn de belastingen.

  • allocatie
  • is het verdelen van de productiefactoren over de aanwendingsrichtingen. Het allocatieprobleem wordt in de particuliere sector voornamelijk opgelost door middel van het prijs- en marktmechanisme en in de publieke sector door middel van het budgetmechanisme.

  • allocatiefunctie van de overheid........................................................
  • is de rol van de overheid bij het oplossen van het allocatieprobleem, hetgeen vooral ligt in het verzorgen van de infrastuctuur.

  • allocatieprobleem
  • is het probleem hoe de productiefactoren zo goed mogelijk worden benut. Het is het probleem van voor "wie, wat, waar, wanneer, hoeveel en door wie" moet er geproduceerd worden. In de vrije markteconomie wordt dit probleem opgelost door het prijs- en marktmechanisme, en in een planeconomie door het planmechanisme. De vrije markteconomie en de planeconomie (= centraal geleide economie) zijn dus twee extreme vormen, die elk slechts één coördinatiemechanisme hanteren. In de praktijk is er altijd sprake van een mengvorm, een voorbeeld is de geörienteerde economie.

  • anticyclisch beleid
  • overheidsbeleid gericht op het dempen van de conjuctuurgolven. Zie ook anticyclische begrotingspolitiek of stabiliseringsfunctie van de overheid.

  • arbeidskostenforfait
  • is een extra belastingvrije som voor werkenden. Het wotrdt ook wel arbeidstoeslag genoemd.

  • beginselen van de minste pijn
  • houdt in dat men de belastingen zoveel mogelijk laat samenvallen met het moment van het verwerven van het inkomen. Een voorbeeld is de loonbelasting, dat een voorheffing is op de inkomstenbelasting.

  • begroting.......................................................................................
  • is een overzicht van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten voor een bepaalde periode.

  • begrotingscyclus
  • is de tijd die verloopt tussen het voorbereiden en vaststellen van de begroting.

  • begrotingspolitiek
  • is te onderscheiden in de uitgavenpolitiek, belastingpolitiek (of fiscale-) en de schuldpolitiek (= het lenen van de overheid). In plaats van begrotingspolitiek spreekt men ook wel van budgettaire politiek.

  • begrotingstekort
  • is het verschil tussen de totale uitgaven en totale ontvangsten van de overheid. Indien niet als anders vermeld, zijn dus de aflossingen op de staatsschuld een onderdeel van de uitgaven. Men spreekt ook wel van financieringsbehoefte. Let op dat dit een ander begrip is dan het financieringstekort!.

  • belastbare som
  • is dat gedeelte van het inkomen waarover belasting betaalt moet worden. Het belastbaar inkomen minus de belastingvrije som is de belastbare som.

  • belastingbeginsel
  • is de grondslag (motief) waarop de belasting geheven wordt. De belastingen moeten enerzijds doelmatig ( = doelmatigheidsbeginsel) worden geheven, en anderzijds moeten ze als rechtvaardig worden ervaren (= rechtvaardigheidsbeginsel).

  • belastingdruk
  • alle belastingen samen als percentage van het nationale inkomen

  • belastingen.....................................................................................
  • heffingen door de overheid dwangmatig opgelegd, zonder dat er voor de belastingbetaler een individueel aanwijsbare tegenprestatie tegenoverstaat. De belastingen zijn te verdelen in de directe belastingen en de indirecte belastingen.

  • belastingvrije som
  • is het gedeelte van het inkomen waar geen belasting over verschuldigd is. Mensen waarvan het inkomen in een hoger marginaal tarief (bijvoorbeeld de derde schijf met een tarief van 60%) valt hebben meer voordeel van de belastingvrije som dan weinig-verdieners.

  • betalingsbalanspolitiek
  • omvat alles wat de maken heeft met de internationale handel. Bijvoorbeeld maatregelen ter bevordering van de internationale handel of beheersing van de kapitaalstromen van en naar het buiteneland. Hierbij kan men ook weer denken aan de rentetarieven ( DNB), die ook weer invloed hebben op de wisselkoersen.

  • bemoeigoederen
  • zijn goederen waarvan de overheid vindt dat de maatschappij ze onderwaardeerd, en dus door de overheid door middel van subsidies gestimuleerd moet worden (merit goods). Zie ook demerit goods.

  • bestaansminimum (sociaalminimum)
  • is het bedrag dat door de politiek is vastgesteld (waarvan de overheid vindt), dat iemand minimaal nodig heeft om van te leven. Dit minimum is voor een alleenstaande ongeveer 70% van het minimumloon.

  • broeikaseffect
  • wordt verorzaakt doordat er door toenemend enegieverbruik (verbranding van organische stoffen) er steeds meer kooldioxide in de atmosfeer komt, dat hetzelfde effect heeft als het glas van een broeikas.

  • budgetmechanisme..........................................................................
  • via de omvang van de begrotingen wordt door de overheid deels invloed uitgeoefend op de allocatie van de productiefactoren. Zie ook allocatiefunctie van de overheid.

  • Centraal Economisch Plan (CEP)
  • uitgave van het Centraal Planbureau (omstreeks maart/april) waarin de Nederlandse economie uitgebreid wordt geanaliseerd en waarin ook een voorspelling wordt gegeven over de ontwikkeling op de korte-termijn.

  • centraal geleide economie
  • is een extreme vorm (grondvorm) van economische orde, waarbij het allocatieprobleem wordt opgelost door een centrale overheid, doormiddel van het planmechanisme. De centraal geleide economie wordt ook wel planeconomie genoemd. De voormalige Sovjet-Unie had van deze vorm de meeste kenmerken met door het poliet-bureau bepaalde meerjarenplannen.

  • Centraal Planbureau (CPB)..............................................................
  • is een instituut dat voorspellingen doet over de ontwikkelingen van Nederlandse economie.Het is daarom een belangrijk adviesorgaan voor de Regering. Twee belangrijke uitgaven van het CPB zijn het CEP en de MEV.

  • Club van Rome
  • een groep wetenschappers en industriëlen die al in de vijftiger jaren aandacht vroegen voor de begrensdheid van de natuurlijke hulpbronnen en de bedreiging van het milieu, waardoor er ook grenzen zijn aan de economische groei.

  • collectief goed
  • goederen die naar hun aard niet te splitsen zijn in individueel leverbare eenheden. De gebruiker kan er dan ook geen prijs per eenheid voor betalen en daarom worden ze uit de algemene middelen van de overheid gefinancierd. Men kan ook niet van consumptie worden uitgesloten. Enkele voorbeelden zijn: defensie, politie (veiligheid), rechtspraak, bestuur, preventieve geneeskunde, straatverlichting, zeeweringen etc..De productie van collectieve goederen vindt daarom plaats via het budgetmechanisme.

  • collectieve lasten..............................................................................
  • de som van de belastingen, sociale premies en enkele niet-belastingen (zoals aardgasbaten, milieuheffingen)

  • collectieve-lastendruk
  • het quotiënt van de collectieve lasten en het nationale inkomen (in%). In Nederland is de collectieve lastendruk ongeveer 55%.

  • collectieve sector
  • is het totaal van de overheidssector (= overheid in ruime zin) en de sociale verzekeringssector. In de collectieve sector speelt het budgetmechanisme een belangrijke rol.

  • collectieve uitgaven..........................................................................
  • de uitgaven die gedaan worden in de publieke sektor, ongeveer tweederde van het nationaal inkomen .

  • conflicterende doelstellingen
  • zijn doelstellingen van economische politiek, die niet tegelijkertijd gerealiseerd kunnen worden.

  • conjunctuurpolitiek
  • zijn politieke maatregelen gericht op de vraagzijde van het economisch proces. Bijvoorbeeld de anti-cyclische begrotingspolitiek.

  • consolidatie
  • is het omzetten van vlottende schuld in vaste schuld. Dit betekent dat de overheid de staatsschuld minder snel gaat aflossen.

  • coördinatiemechanisme
  • houdt de manier in hoe het allocatieprobleem in een economisch systeem wordt opgelost. Er zijn drie coördinatiemechanismen, namelijk: het prijs- en marktmechanisme, het budgetmechanisme en het planmechanisme.

  • demerit goods
  • goederen die volgens de overheid door de maatschappij worden overgewaardeerd en daarom moeten worden afgeremd, door middel van accijnsheffing.

  • deregulering
  • is het beleid om het aantal wetten en regels te versoepelen of te verminderen, zodat er meer ruimte is voor particulier initiatief.

  • directe belastingen
  • zijn belastingen op inkomen en vermogen. Het "direct" betekent dat de belatingbetaler bij de fiscus bekend is. Dat is niet zo bij de indirecte belastingen.

  • doelmatigheidsbeginsel
  • betreft de uitvoering van de belastingheffing. De belastingen moeten zodanig zijn, dat de opbrengsten zo gunstig mogelijk zijn. Men kan dit beginsel ook weer verder verdelen in twee andere beginselen, het welvaartsbeginsel en de beginselen van de minste pijn.

  • doelstellingen van economische politiek.............................................
  • zijn de doelen die de overheid met haar beleid nastreeft. De zes algemeen aanvaarde doelstellingen van economische politiek zijn: een evenwichtige arbeidsmarkt, een stabiel prijspeil, een rechtvaardige inkomensverdeling, een evenwichtige betalingsbalans, een evenwichtige economische groei, en een goed leefbaar milieu.

  • draagkrachtbeginsel
  • houdt in dat de "zwaarste lasten op de sterkste schouders rusten''. Het draagkrachtbeginsel ligt ten gronslag aan de progressie in de loon- en inkomstenbelasting. Bij een hoger inkomen betaalt men relatief meer belasting. Als rechtvaardiging hiervoor wordt ook vaak verwezen naar de theorie van het gelijke nutsoffer, welke gebaseerd is op de eerste wet van Gossen.

  • duurzame groei
  • is sprake van als door het huidige economische activiteiten (welvaatsniveau huidige generatie), het toekomstig welvaatsniveau (van de toekomstige generatie) niet in gevaar brengt.

  • earned income tax credit (EITC)
  • is een heffingskorting die alleen geldt voor werkenden. Een EITC kan zodanig worden ingesteld dat vooral de laag betaalde werkenden hiervan profiteren.

  • economisch imperialisme
  • volgens deze theorie worden de arme landen economisch uitgebuit door de rijke industrielanden.

  • economische doelmatigheid..............................................................
  • is een maatstaf waarin de productie leidt tot een zo groot mogelijke welvaart. Of anders gezegd: in hoeverre de productie overeenkomstig de behoeften van de consument is.

  • economische groei
  • als maatstaf neemt men vaak de groei van het reële nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Als hierbij ook rekening is gehouden met de invloed van de negatieve externe effecten, dan spreekt men wel van economische groei in ruime zin. Kijkt men alleen naar de productiegroei, dan spreekt men van economische groei in enge zin. Bekende groeimodellen uit de economische geschiedenis zijn het Harrod en Domar groeimodel en het neo-klassieke groeimodel.

  • economische orde
  • is de wijze waarop een economie is ingericht. Het betreft de manier waarop het allocatieprobleem wordt opgelost en de eigendom van de productiefactoren. De twee extreme vormen van economische orde zijn de vrije ruilverkeershuishouding (of vrije markteconomie) en de centraal geleide economie (of planeconomie). In werkelijkheid is er altijd sprake van een menvorm, zoals bijvoorbeeld de geörienteerde (markt)economie.

  • economische politiek
  • kan worden omschreven als maatschappelijke stuurkunde (op het economische vlak). Het gaat er dus om hoe de economische doelstellingen gerealiseerd kunnen worden.Het simultaan (= gezamelijk tegelijkertijd) willen realiseren van alle doelstellingen is een onmogelijkheid, omdat vaak de verwezenlijking van de ene doelstelling in strijd is met het waarmaken van de andere. De economische politiek kan verdeeld worden in de conjunctuurpolitiek en structuurpolitiek.

  • equivalentiebeginsel
  • houdt in dat er verband bestaat tussen de hoogte van de betaalde verzekeringspremie en de hoogte van de uitkering. Dit verband bestaat niet bij het solidariteitsbeginsel.

  • evenwichtige arbeidsmarkt
  • als doelstelling van economische politiek betekent enerzijds maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid, en anderzijds moet er gewaakt worden voor een overspannen arbeidsmarkt. Omdat de huidige werkloosheid vooral structureel van aard is verloopt dit beleid erg moeizaam.

  • evenwichtige betalingsbalans
  • betreft de doelstelling dat de overheid moet streven naar een gezonde betalingsbalans positie.

  • evenwichtige economische groei
  • betekent dat zowel gestreeft wordt naar een kwantitatieve groei als en kwalitatieve groei.

  • financieringsbehoefte
  • is hetzelfde als het begrotingstekort. Het is het totale bedrag (B-O) dat de overheid op de begroting tekort komt. Concreet betekent het de nieuwe leningen plus het bedrag van de aflossingen, die opnieuw geleend (dus herleend) moeten worden.

  • financieringstekort ..........................................................................
  • het begrotingstekort verminderd met de (herleenbare) aflossingen op de staatsschuld. Het financieringstekort is een betere maatstaf (om de begrotingspolitiek te beoordelen) dan het begrotingstekort, omdat het aangeeft hoeveel de overheid per saldo op de kapitaalmarkt moet lenen, en het geeft precies aan hoeveel de staatsschuld dat jaar weer zal stijgen.

  • functies van de overheid
  • zijn onder te verdelen in de allocatiefunctie, herverdelingsfunctie en de stabilisatiefunctie.

  • geleide loonpolitiek
  • de overheid schrijft een voor alle werknemers geldende loonsverhoging bindend voor.

  • georiënteerde (markt)economie
  • is een mengvorm tussen de centraal geleide economie en de vrije ruilverkeershuishouding.De consumenten en producenten zijn vrij in hun beslissingen (consumptie, productie en investeringen) binnen de door de overheid bepaalde speelruimte.

  • gezond leefmilieu
  • is de zesde doelstelling, die als laatste aan de bestaande (vijf) als algemeen aanvaarde doelstellingen is toegevoegd. Tegenwoordig wordt steds meer belang geacht aan het in stand houden van de natuur, in plaats van het uitbreiden van de industriële productie.

  • groeitheorie
  • geeft een beschrijving of verklaring voor de economische groei. Bekende economische groeitheorieën zijn die van Harrod en Domar, en de Neoklassieke groeitheorie.

  • grondstoffenovereenkomst
  • is een overeenkomst tussen landen om de grondstofprijzen te stabiliseren.

  • gulden financieringsregel
  • houdt in dat leningen door de overheid alleen maatschappelijk aanvaardbaar zijn voor de overheidsinvesteringen. De overheidsconsumptie en de overdrachtsuitgaven moeten volledig door (belasting)inkomsten gedekt worden.

  • Harrod en Domar groeimodel
  • beschrijft dat de economische groei bepaald wordt door de groei van de voorraad kapitaalgoederen. Besparingen van de consumenten worden in dit model door de ondernemers volledig gebruikt voor nieuwe investeringen, en daarmee dus de groei van de voorraad kapitaalgoederen.

  • heffing
  • is een door de overheid opgelegde betaling.

  • heffingskorting
  • is een korting op het te betalen bedrag aan belastingen. Dit levert een evengroot financiëel voordeel op voor mensen met een hoog, als voor mensen met een laag inkomen. Deze heffingskorting wordt ook wel belastingkorting of "tax credit"genoemd. Een speciale heffingskorting is de EITC.

  • herverdelingsfunctie van de overheid.................................................
  • de overheid streeft naar een rechtvaardiger verdeling van het nationaal inkomen. Middels de progresieve loon en inkomsten belastingen en de inkomensoverdrachten vindt er een (niet onaanzienlijke) herverdeling van inkomen plaats.

  • ideologie
  • is een visie op het functioneren van de maatschappij.

  • imperatieve planning
  • is een economische planning waabij men de verpichting heeft zich aan bindende afspraken te houden.

  • indicatieve planning
  • is een economische planning waabij men uit gaat van globale afspraken.

  • indirecte belastingen
  • zijn belastingen die geheven worden op het moment van transactie. Voorbeelden zijn BTW en invoerrechten. Het woord "indirect" betekent dat de belastingbetaler niet bij de fiscus bekend is, in tegenstelling tot de directe belastingen. Indirecte belastingen worden ook wel kostprijsverhogende belastigen genoemd.

  • individueel goed
  • goederen,die naar hun aard gesplitst kunnen worden in individuele eenheden.Men kan de gebruiker naar de mate van zijn gebruik laten betalen, zodat de productie van deze goederen ook via het prijs- en marktmechanisme plaats (kan) vindt (vinden). Om bijvoorbeeld maatschappelijke redenen heeft de overheid ook de productie van sommige individuele goederen ter hand genomen, die daarom quasi-collectieve goederen worden genoemd.

  • informele economie
  • zie begrippen L.6.

  • infrastructuur..................................................................................
  • zie begrippen L.6.

  • ingebouwde stabilisatoren
  • uitkeringen en de progressieve belastingheffing werken stabiliserend op het verloop van de conjunctuur. Uitkeringen compenseren het weggevallen arbeidsinkomen bij verlies van een baan, de progressieve belasting stabiliseert het netto inkomen.

  • inkomensoverdrachten
  • uitkeringen en subsidies aan gezinnen en bedrijven, inclusief de rente op de staatsschuld

  • inkomensverdeling
  • geeft aan op welke wijze het (nationaal) inkomen in een land verdeeld is. Men onderscheidt de personele inkomensverdeling en de categoriale inkomensverdeling.

  • inkomensverschillen
  • kunnen bijvoorbeeld ontstaan door verschillen in opleiding, leeftijd, verantwoordelijkheid, bekwaamheid, zwaarte van het werk etc. Een belangrijke factor (misschien wel de belangrijkste) is de schaarste op de arbeidsmarkt van bepaalde talenten en deskundigeheid.

  • instrumenten van economische politiek
  • zijn te onderscheiden in monetaire politiek, begrotingspolitiek, prijs en inkomenspolitiek, mededingingspolitiek, betalingsbalanspolitiek, en groeipolitiek.

  • inverdien-effect
  • houdt in dat als gevolg van een toename van de overheidsbestedingen ook de belastingopbrengsten zullen stijgen, waardoor een deel van de gestegen overheidsbestedingen door extra inkomsten wordt goedgemaakt.

  • kapitalisme.....................................................................................
  • is een mengvorm van economische orde, waarbij de kenmerken van de vrije ruilverkeershuishouding overheersen. De productiefactoren zijn in handen van particulieren en het allocatieprobleem wordt voornamelijk opgelost middels het prijs- en marktmechanisme.

  • knelpuntsfactor
  • is de productiefactor die bepalend is voor de maximaal mogelijke productie.

  • Laffercurve
  • is een curve die het verband tussen de belastingopbrengsten en de belastingdruk weergeeft, en waaruit blijkt dat bij stijging van de belastingdruk de uitgaven degressief stijgen (= minder dan evenredig), en zelfs bij een zeer hoge belastingdruk absoluut gaan dalen..

  • lagere overheden
  • zijn de gemeenten, provincies en waterschappen.

  • loonbelasting
  • is een voorheffing op de inkomstenbelasting, die de werkgever volgens bepaalde regels op het bruto maandloon dient in te houden, en aan de belastingen moet afdragen.. Het jaar daarop moet voor 1 april (de meeste) werknemers een belastingformulier invullen, en op grond van de ingevulde gegevens wordt de definitieve aanslag vastgesteld.

  • Loonwet
  • een wet die de overheid de bevoegdheid geeft in de vrije loonvorming in te grijpen

  • lump-sum belasting
  • houdt in dat de overheid haar tekort dekt door het heffen van een belasting waarbij iedereen in gelijke mate bijdraagt. Uit het oogpunt van lastenverdeling wordt dit vaak als onrechtvaardig ervaren.

  • Macro Economische Verkenningen (MEV)........................................
  • is een uitgave van het Centraal Planbureau dat in september tegelijk met de miljoenennota verschijnt. Het is een verkorte uitgave van het CEP, maar dan wel met de nieuwste gegevens en hierop eventueel een bijgestelde prognose, waarmee men de miljoenennota beter (politiek onafhankelijk) kan beoordelen.

  • marginale tarief
  • is het belastingpercentage dat van toepassing is op het extra inkomen dat een belastingbetaler verdient (of zou gaan verdienen). Bijvoorbeeld bij een hoog inkomen valt iemand met zijn inkomen ook in de 60%-schijf, waardoor van al het extra inkomen dan 60% belasting betaalt zal moeten worden. Het marginale tarief is dus dan 60%..

  • markteconomie
  • is een mengvorm van economische orde met vooral kenmerken van de vrije markteconomie.

  • marktmechanisme (prijsmechanisme)
  • is het mechanisme dat het allocatieprobleem oplost door middel van het vrije spel van vraag en aanbod.Zie ook prijs- en marktmechanisme.

  • marktsector
  • betreft de particuliere ondernemingen, organisaties en lagere overheden die via de markt hun producten aanbieden. Het prijs- en marktmechanisme speelt hier een belangrijke rol.

  • merit good
  • goederen waarvan de overheid vindt dat de consumptie ervan moet worden gestimuleerd. Zie ook bemoeigoederen..

  • Miljoenennota...............................................................................
  • samenvatting van de Rijksbegroting, die op de derde dinsdag in september wordt aangeboden aan het parlement. De regering geeft daarin een samenvatting van de begroting van uitgaven en inkomsten en een toelichting op het begrotingsbeleid.

  • monetaire financiering
  • is het financieren van het begrotingstekort van de overheid door middel van geldschepping. Technisch vindt dit plaats door plaatsing van kortlopende schuld bij het bankwezen. De laatste jaren is monetaire financiering niet meer toegestaan als gevolg van de krap-geldpolitiek , die wordt gevoerd met het oog op de komst van de Monetaire Unie.

  • monetaire politiek
  • is in het algemeen het beleid gericht op het stabiliseren van het prijspeil (anti-inflatie-beleid), en betreft maatregelen die de maatschappelijke geldhoeveelheid beinvloeden. Enkele instrumenten van monetaire politiek zijn: discontopolitiek, openmarktpolitek, contingent, montaire kasreserveregeling en de geldmarktkasrerve politiek.

  • nadelen prijs- en marktmechanisme
  • als coördinatie mechanisme in de vrije markteconomie worden vaak genoemd: de collectieve goederen die niet via de markt geleverd kunnen worden, de zeer scheve inkomens- en vermogensverdeling, het ontbreken van zorg voor het zwakke individu in de samenleving, en de negatieve externe effecten. Zie ook de voordelen.

  • nationaal milieu beleidsplan (NMP)..................................................
  • betreft het milieubeleid voor de komende jaren, vastgelegd in een in 1989 vereschenen nota van de regering. In 1990 werd dit plan aangepast met het NMPplus.

  • nieuwe internationale economische orde
  • betreft een nieuwe wereld orde, waarin de ontwikkelingslanden een economisch een betere positie krijgen tegenover de rijke landen.

  • overheid in ruime zin
  • is het totaal van de Rijksoverheid (= overheid in enge zin) en de lagere overheden (gemeenten en provincies) plus de publiekrechtelijke organisaties (krachtens de wet PBO) zoals de bedrijfsverenigingen.

  • overheidsproductie
  • hoeft niet kostendekkend te zijn. In principe bepaalt het belang van de gemeenschap wat de doelstellingen van de overheid zijn. Bij de overheid beslist men over het inzetten van de schaarse middelen met behulp van het budgetmechanisme.

  • optimale allocatie.............................................................................
  • betreft de aanwending van de productiefactoren die dan precies in overeenstemming is met de wensen van de consumenten.

  • particuliere sector
  • is hetzelfde als de marktsector. Het wordt gevormd door de gezinnen en hun organisaties en de particuliere bedrijven (ondernemingen). Als coördinatie mechanisme is overwegend het prijs- en marktmechanisme.

  • planeconomie
  • is hetzelfde als de centraal geleide economie.

  • planmechanisme
  • is het ordeningsmechanisme van de centraalgeleide economie. Door een centrale autoriteit of overheid wordt beslist hoe de productiefactoren moeten worden benut.

  • prijs- en marktmechanisme
  • is het ordeningsmechanisme van de vrije ruilverkeershuiding. Door het vrije spel van vraag en aanbod worden de productiefactoren ingezet overenkomstig de wensen van de consumenten. De prijzen die tot stand komen zijn de signalen waarop de individuele vragers en aanbieders hun beslissingen nemen.

  • Prijzenwet .....................................................................................
  • de overheid kan beschikkingen uitvaardigen, waarbij prijsverhogingen aan een maximum worden gebonden of prijsverlagingen worden stopgezet. Deze wet stamt al uit 1961.

  • private kosten
  • zijn de kosten van een product zoals ondernemingen deze berekenen, zonder rekening te houden met de maatschappelijke kosten die voort vloeien uit de externe effecten .

  • pro-cyclisch
  • is het overheidsbeleid (ongewild), indien de overheidspolitiek (begrotingspolitiek) leidt tot versterking van de conjunctuurgolf.

  • profijtbeginsel
  • houdt in dat als iemand wat meer van de overheid profiteert, men ook iets meer belasting mag betalen. Dit beginsel ligt ten grondslag aan de retributies. Voorbeelden zijn de motorrijtuigenbelasting, omroepbijdrage, paspoortleges, school- en collegegeld, reinigingsrechten, etc.

  • progressieve belasting
  • belasting waarbij men bij een hoger inkomen een hoger percentage belasting betaalt. De progressie is gebaseerd op het draagkrachtbeginsel.

  • publieke sector
  • is hetzelfde als de collectieve sector.

  • quasi-collectieve goederen
  • zijn individuele goederen die de overheid om maatschappelijke (of praktische) redenen zelf in productie heeft genomen, en waarvan de financiering (voornamelijk) plaatsvindt via de algemene middelen. Voorbeelden zijn het onderwijs en de wegen. De quasi-collectieve goederen worden soms ook wel semi-collectieve goederen of pseudo-collectieve goederen genoemd.

  • rechtvaardige inkomensverdeling
  • betekent dat de overheid streeft naar een rechtvaardigere verdeling van de inkomens. Dit komt o.a. tot uitdrukking in de progressie in de loon- en inkomstenbelasting. Maar wat een rechtvaardige verdeling is, daar heeft elke politieke groepering een andere mening over.

  • rechtvaardigheidsbeginsel
  • houdt in dat de belastingen door een zo'n breed mogelijk publiek als rechtvaardig wordt ervaren. Dit beginsel kan verdeeld worden in het profijtbeginsel en het draagkrachtbeginsel.

  • restrictieve begrotingspolitiek.............................................................
  • houdt een overheidsbeleid in dat gericht is op het afremmen van de bestedingen. De overheid kan dan zelf haar uitgaven matigen of de belastingen verhogen. Rectrictieve begrotingspolitiek kan een onderdeel zijn van het anticyclisch beleid.

  • retributie
  • is een betaling aan de overheid voor een door de overheid individueel geleverde specifieke overheidsprestatie. Vaak is de betaling slechts een deel van de werkelijke kosten. Voorbeelden zijn: school- en college-geld, havengelden, paspoortleges, omroepbijdragen, wegenbelasting etc.. De retributie is gebaseerd op het profijtbeginsel.

  • rijksbegroting
  • een gedetailleerd overzicht van alle verwachte (voorgenomen) uitgaven en verwachte ontvangsten per departement voor het komende jaar.

  • schatkistpapier................................................................................
  • door de staat uitgegeven kortlopende schuldbekentenissen. Deze schuldbrieven circuleren op geldmarkt, en behoren tot de secundaire liquiditeiten. Uitgifte van schatkistpapier betekent monetaire financiering, en is de laatste jaren geen onderdeel van het overheidsbeleid.

  • semi-collectief
  • goed of quasi-collectief goed door de overheid aangeboden individuele goederen, waarbij de financiering uit de algemene middelen plaatsvindt zoals bij collectieve goederen.

  • sociaal economische driehoek
  • betreffen de ministeries van Financiën, Economische Zaken, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De minister van Sociale zaken en werkgelegenheid is nauw betrokken bij de loonvorming.

  • sociale verzekeringen
  • worden onderverdeeld in werknemersverzekeringen en volks verzekeringen; de belangrijkste werknemersverzekeringen zijn: WAO, NWW, ZFW er zijn vijf volksverzekeringen: AOW, AAW, AKW en de AWBZ. De sociale verzekeringen worden betaald uit premies.

  • sociale voorzieningen.......................................................................
  • worden niet uit premie-opbrengsten betaald maar uit de algemene middelen (belastingen).

  • sociale zekerheid
  • vangnetfunctie door middel van het stelsel van sociale verzekeringen en sociale voorzieningen.

  • sociale zekerheidssector
  • wordt gevormd door alle instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren.

  • solidariteitsbeginsel
  • houdt in dat der geen verband bestaat tussen de betaalde verzekeringspremie en de uitkeringen.

  • specifieke uitkeringen (= doeluitkeringen)
  • zijn uitkeringen die ten behoeve van gemeenten rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting komen.

  • staatsobligaties
  • door de staat uitgegeven schulbrieven die voornamelijk op de kapitaalmarkt worden gebruikt.

  • staatsschuld
  • is de schuld die de overheid (de staat) heeft aan derden (het publiek). De laatste jaren heeft de overheid overwegend op de kapitaalmarkt geleend. Monetaire financiering is niet meer toegestaan, in verband met de komst van de EMU. De staatsschuld is verdeeld in vlottende schuld en vaste schuld.

  • staatsschuldquote
  • is de verhouding tussen de staatsschuld en het nationaal inkomen. In 1999 is de staatsschuldquote gedaald tot 62% van het BBP.

  • stabiel prijspeil
  • als doelstelling betekent dat de overheid in haar beleid streeft naar het zo constant mogelijk blijvende prijzen. In feite gaat het erom dat de inflatie zoveel mogelijk wordt bestreden.

  • stabilisatiefunctie van de overheid........... .........................................
  • de overheid streeft naar een stabiele economische ontwikkeling (evenwichtige economische groei en het dempen van de conjunctuurgolven middels een anticyclische begrotingspolitiek, zie begrippen L3.

  • structuurpolitiek
  • is gericht op de aanbodzijde van de economie. Bijvoorbeeld maatregelen m.b.t de infrastructuur en het milieubeleid etc.

  • tariefgroep
  • bepaald de belastingvrije som bij de inkomstenbelasting. De tariefgroep wordt bepaald door de persoonlijke omstandigheden, zoals leeftijd, burgelijke staat, etc. .

  • tendersysteem (uitgifte staatsobligaties)
  • betekent dat de beleggers zelf moeten opgeven tegen welke koers zij de obligaties maximaal bereid zijn te kopen. Na afloop van de inschrijving bepaalt de minister van financiën de werkelijke uitgiftekoers.

  • trendmatige groei
  • is de gemiddelde groei over een groot aantal jaren gemeten. Het is in feite de groei van de productiecapaciteit. De trend is te berekenen door middel van het voortschrijdend gemiddelde van de conjunctuur. Grafisch is dit een lijn die getrokken is door de conjunctuur golf, waarbij de toppen en dalen evenver van de trenlijn liggen. De trend wordt ook wel de structuur genoemd.

  • urbanisatie
  • betekent verstedelijking. Een steeds groter deel van de bevolking gaat zich in een stad vestigen.

  • varianten analyse...........................................................................
  • zijn de alternatieve mogelijkheden in de voorspellingen van het Centraal Planbureau, omdat een aantal kerngegevens (veronderstellingen) zich wijzigen. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van de wereldconjunctuur, of afgedwongen looneisen.

  • vaste schuld
  • is langlopende schuld. Ook spreekt men wel van gevestigde schuld. De overheid heeft dan leningen afgesloten met een relatief lange looptijd.

  • vlottende schuld
  • is kortlopende schuld. De overheid heeft dan leningen afgesloten met een relatief korte looptijd.

  • volksverzekeringen
  • zijn sociale verzekeringen die voor iedereen gelden. Dit in tegenstelling tot de werknemersverzekeringen. De volksverzekeringen beginnen allemaal met een A, zoals de AAW, AWBZ, AOW, AWW, en de AKW

  • voordelen prijs- en marktmechanisme
  • als coördinatie mechanisme in de (vrije) markteconomie worden bijvoorbeeld vaak genoemd: de consumentensoevereiniteit, het allocatieprobleem wordt deels vanzelf opgelost, de productiefactoren worden zo efficiënt mogelijk ingezet, en veel ruimte voor particulier initiatief. Zie ook de nadelen.

  • vrije loonpolitiek
  • de overheid laat de invulling van de loonruimte (=de som van het percentage waarmee de arbeidsproductiviteit is gestegen en het percentage prijsstijging) over aan de werkgevers en de werknemers

  • vrije markteconomie
  • is hetzelfde als de vrije ruilverkeershuishouding.

  • vrije ruilverkeershuishouding............................................................
  • is een extreme vorm (grondvorm) van economische orde waarbij het allocatieprobleem door middel van het vrije spel van vraag en aanbod ( het prijs- en marktmechanisme) wordt opgelost. De Amerikaanse economie (VS) heeft de meeste kenmerken van deze economische orde. Een ander naam voor deze extreme vorm is de vrije markteconomie.

  • welvaartsbeginsel
  • betreft de schade die de belastingheffing kan hebben op de economische groei. Een hoge belastingdruk kan economische activiteiten ontmoedigen.

  • werknemersverzekeringen
  • zijn sociale verzekeringen, die uitsluitend bestemd zijn voor mensen in loondienst. tot de werknemersverzekeringen worden gerekend: de ZW, de WAO, de ZFW en de WW.

  • Zijlstra-norm
  • houdt het idee in dat als in de particuliere sector de besparingen voortdurend hoger zijn dan de investeringen, een tekort dat daarmee correspondeerd aanvaardbaar is. Dit komt dan ook overeen met de macro-economische balansvergelijking : (S-I) + (B-O) = (E-M). Immers als men (E-M) nul stelt, dan moet volgens deze vergelijking het particuliere spaaroverschot gecompenseerd worden door een evengroot begrotingstekort. In dit geval spreekt men dan ook van het structurele begrotingstekort. Bovendien moet men zich realiseren dat genoemde vergelijking ex post een identiteit is, en dat dus aan deze samenhang tussen die saldi niet te ontkomen valt.

    Disclaimer

    U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen.

    .

    Copyright © M. Kalk, Lelystad