geeft grafisch het verband tussen de prijs en de daarbij aangeboden hoeveelheid van een goed. Deze curve is (meestal) stijgend, omdat bij een hogere prijs (meestal) meer wordt aangeboden. Men kan onderscheid maken in individuele aanbodcurven en collectieve aanbodcurven. Een collectieve aanbodcurve betreft het aanbod van een zeker goed door alle producenten tezamen.
het verschil tussen de bij een bepaalde prijs aangeboden hoeveelheid van een goed en de bij die prijs gevraagde hoeveelheid. Een aanbod overschot ontstaat meestal doordat door interventie er sprake is van een minimumprijs.
betreft of het goed homogeen of heterogeen is, of de mate van homogeniteit (of heterogeniteit).
geheel van vraag en aanbod met betrekking tot een goed, zonder dat er een bepaalde (concrete) plaats is waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten.Voorbeelden van het abstracte marktbegrip zijn bijvoorbeeld: arbeidsmarkt, graanmarkt, huizenmarkt, ruwe oliemarkt, valutamarkt, etc.Naast het abstracte marktbegrip onderscheidt men de concrete markt.
is de verkochte hoeveelheid van een product.Verwar de afzet niet met de omzet.
is de marktvorm van het oligopolie waar een van de aanbieders het machtigst is. De andere oligopolisten zijn veel kleiner en zullen met de concurrentie vooral met de beleid van de grootste rekening houden, die vaak als prijsleider fungeert.
is de productieomvang waarbij de gemiddelde totale kosten minimaal zijn. Op langetermijn zal bij volkomenconcurrentie, als gevolg van toetreding, de marktprijs dalen waardoor de individele afzetcurve steeds lager komt te liggen. Hierdoor daalt de winst totdat deze nihil is. Op dat moment raakt de individuele afzetcurve de GTK-curve in het minimum, dus bij het bedrijfsoptimum..
snijpunt van de totale opbrengstencurve en de totale kostencurve, waarbij dus de winst nul is. De afzet bij dit punt wordt break-even afzet genoemd. Vanaf dit punt wordt winst gemaakt. Het break-even-point wordt ook wel het dode punt genoemd.
is een samenwerkingsvorm tussen oligopolisten hoe men de (kost)prijs berekend. Dit is in veel gevallen een alternatief voor het prijskartel. Zie eventueel ook andere kartelvormen.
zijn: de prijzen van de productiefactoren, stand van de techniek en het aantal aanbieders. Zie voor ceteris paribus voorwaarden begrippen L.7 .
productiefactoren die niet kunnen bestaan zonder elkaar, deze vullen elkaar aan. De isoquanten zijn rechthoekig. Zie ook L.12
geeft het marktaandeel van een aantal bedrijven weer.Bijvoorbeeld C3 geeft het marktaandeel van de drie grootste bedrijven gezamelijk als percentage van de totale markt.
wordt uitgeoefend door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA). Voor concentratievorming (= fusie of nauwe samenwerking tussen ondernemingen, zoals bij een Joint Venture) is voorafgaand toestemming nodig van de NMA. De NMA onderzoekt of door de concentratie een economische machtspositie ontstaat, die de mededinging in gevaar zou kunnen brengen.
is een tijdelijke samenwerking tussen een aantal ondernemingen om een bepaald project te realiseren. Wordt een aparte onderneming opgericht, dan spreekt men van een joint venture.
laat zien welke hoeveelheden van een bepaald goed alle aanbieders van dat goed tezamen van plan zijn bij uiteen lopende prijzen te verkopen. Zie ook de ceteris paribus voorwaarden van een collectieve aanbodfunctie.
markt die gebonden is aan een bepaalde plaats. Voorbeelden van een concrete markten zijn een veiling, effectenbeurs, rommelmarkt, veemarkt te Den Bosch etc.
zijn alle kosten die onafhankelijk zijn van de productieomvang. Zie ook totale constante kosten.
is sprake van als de fysieke opbrengst met eenzelfde percentage stijgt als men alle productiefactoren met een eenzelfde percentage laat toenemen.
van kosten houdt in dat de kosten minder dan evenredig stijgen met de productie-omvang. Dit gedeelte van de kostencurve komt overeen met de toenemende meeropbrengsten van de Wet van de toe- en afnemende meeropbrengsten..
is het break-even-point.
van een markt wordt bepaald door de mate dat de marktpartijen (vragers en aanbieders) gemakkelijk aan informatie kunnen komen (of geinformeerd zijn) over het product. De markt kan bijvoorbeeld ondoorzichtig zijn als er bij de prijs aanduiding verschillende eenheden worden gebruikt, of er een onduidelijke prijs- kwaliteitsverhouding is (als gevolg weer van productdifferentiatie.
marktvorm van het oligopolie waarbij slechts twee aanbieders zijn.
bestaat als één onderneming aanzienlijke macht op de markt kan uitoefenen. Dit geldt niet alleen voor een monopolist, maar ook voor een onderneming die een zeer groot marktaandeel heeft. De grens is moeilijk aan te geven, maar bij een marktaandeel van meer dan 50% bezit een onderneming zeker een economische machtspositie waarvan zij misbruik kan maken. Hier tegen kan de NMA optreden.
is de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid precies gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. Zie eventueel ook het marktevenwicht.
is sprake van als één bedrijf alle concurrenten uit de markt heeft verdrongen, of via het octrooi het alleenrecht heeft verworven voor de fabricage van een goed. In dit laatste geval is spreekt men ook wel van een technologisch monopolie.
is het deelnemen aan een organisatie op basis van eigen financiëel risico. Men moet zelf zorgen voor een bedrijfspand en de inrichting. De bedrijfsvoering vindt dan plaats op basis van een reeds bestaande bedrijfsformule zoals bijvoorbeeld Albert Heijn, Blokker of MacDonald. Het voordeel is dat men als kleine ondernemer profiteert van de voordelen van een grote onderneming.
samengaan van twee of meer zelfstandige bedrijven tot een nieuwe onderneming. Fusies (en overnames) zijn de belangrijkste oorzaak van het onstaan van concerns.
is de opbrengst niet in geld uitgedrukt, maar in fysieke eenheden zoals kg, liter, balen, ton, barrel (vat van 159 liter) etc.
zie meeropbrengst.
is de fysieke opbrengst per eenheid productiefactor.
is de opbrengst (in geld uitgedrukt) per eenheid product. De gemiddelde opbrengst is (meestal) hetzelfde als de prijs van het product. Immers GO = TO/q en omdat TO = p x q is GO = (p x q)/q = p
is hetzelfde als de individuele afzetcurve.
zijn de totale kosten per eenheid product. In formule vorm: GTK = TK/q . De gemiddelde totale kosten is te beschouwen als de kostprijs van een product.
zijn de totale variabele kosten per eenheid product. In formule vorm: GVK = TVK/q
is sprake van als de afnemers van de ene deelmarkt het product niet kunnen kopen op de andere deelmarkt. Dit is een voorwaarde voor het kunnen toepassen van prijsdiscriminatie of prijsdifferentiatie.
betekent hetzelfde als fysieke meeropbrengsten.
aanbieder die bij de gegeven marktprijs alleen de aangeboden hoeveelheid kan vaststellen.Deze marktstrategie geldt voor de marktvorm volkomen concurrentie. De individuele afzetcurve loopt bij hoeveelheidsvariatie horizontaal.
is een samenwerkingsvorm tussen oligopolisten waarbij men gezamelijk de productie beperkt om de prijs op het gewenste niveau te houden. Dit is in veel gevallen een alternatief voor het prijskartel. Het hoeveelheidskartel wordt ook wel productiekartel genoemd. Zie eventueel ook andere kartelvormen.
is een marktvorm met weinig aanbieders (en veel vragers) en een homogeen product. Omdat homogene goederen bij het oligopolie weinig voorkomen zijn de meeste oligopolies heterogeen. Zie voor kenmerken ook oligopolie.
zijn goederen die volgens de consument hetzelfde zijn. Er zijn geen kopersvoorkeuren, behalve dan voor de prijs. Daarom hebben homogene goederen op eenzelfde markt (vrijwel) dezelfde prijs.
is een marktvorm met weinig aanbieders (en veel vragers) en een heterogeen product. Zie voor kenmerken ook oligopolie.
zijn goederen die volgens de consument verschillend zijn, d.w.z. men heeft er een verschillende voorkeur voor. Door het verschil in voorkeur kan er op eenzefde markt een verschillende prijs onstaan.
geeft een verzameling punten weer van goederencombinaties met voor de consument eenzelfde nut. De indifferentie curve wordt ook wel iso-nutcurve genoemd. Ten gevolge van de eerste wet van Gossen lopen de indifferentiecurven krom (hol t.o.v. de oorsprong)..
laat zien welke hoeveelheden van een bepaald goed een aanbieder van plan is bij uiteenlopende prijzen te verkopen. De individuele aanbodcurve valt samen met de marginale kostencurve (MK-curve) vanaf het minimum van de GVK. Wanneer de prijs (GO-curve) zich tussen de GTK en GVK bevindt, maakt de hoeveelheidsaanpasser verlies, maar gaat toch door met produceren, omdat stoppen een groter verlies oplevert, namelijk volledig de constante kosten. Zakt de prijs onder het minimum van de GVK, dan is het verlies groter dan de constante kosten, en kan rationeel gesproken de ondernemer beter de productie staken.
beschrijft het verband tussen de prijs en de hoeveelheid die de producent op de markt af kan zetten. Van een hoeveelheidsaanpasser loopt de individuele afzetcurve horizontaal, omdat de producent geen invloed heeft op de marktprijs, en valt samen met de marginale opbrengstencurve (MO-curve). Bij prijszetting is de individuele afzetcurve een dalende lijn, en valt niet meer samen met de MO-curve. De MO-curve daalt dan twee maal zo snel als de GO-curve, of anders gezegd: de absolute waarde van de richtingscoëfficiënt is tweemaal zo groot.
de ontwikkeling en de succesvolle invoering van nieuwe of verbeterde goederen en diensten, produktie- of distributieprocessen.
betekent dat er in het vrije spel van vraag en aanbod wordt ingegrepen. Dit kan bijvoorbeeld door de overheid gebeuren ingeval van het stellen van een maximumprijs, of naast de overheid ook door bijvoorbeeld een veilingbestuur ingeval van een minimumprijs..
bestedingen door producenten
verzameling van punten die combinaties van productiefactoren aangeven die dezelfde hoeveelheid eindproduct voortbrengen. Isoquanten worden ook wel isoproductcurven genoemd. Ten gevolge van de wet van de toe- en afnemende meeropbrengsten lopen isoquanten krom (bol t.o.v. van de oorsprong).
betekent gezamelijk ondernemen. Twee of meer ondernemingen richten een aparte onderneming op (dochter) met het doel gezamelijk een product voort te brengen.
goederen met behulp waarvan andere goederen worden geproduceerd
een overeenkomst tussen twee of meer juridisch zelfstandige ondernemingen om de onderlinge concurrentie te beperken. In navolging van het EU-beleid geldt vanaf 1998 in Nederland een verbotswetgeving, die is vervat in de Mededingingswet .(Zie eventueel ook de inmiddels verouderde Wet Economische Mededinging.)
zijn bijvoorbeeld een prijskartel, calculatiekartel, hoeveelheidskartel, rayonkartel, en researchkartel.
werken (kost)prijsverhogend. De ondernemer probeert deze kosten af te wentelen op de koper, waardoor de aanbodcurve (naar links/naar boven) verschuift. . . . . . . . . . . . . .. . . . Zie ook begrippen L.2.
zijn de extra kosten die ontstaan als de productie met één eenheid toeneemt. In formulevorm: MK= d(TK)/dq of MK= d(TVK)/dq
zijn de extra opbrengsten die ontstaan als de producent één eenheid meer verkoopt. In formulevorm: MO = d(TO)/dq ; in deze formule is (TO) de totale opbrengst of omzet. De marginale opbrengstencurve valt bij volkomenconcurrentie samen met de individuele afzetcurve.
is een commerciëel beleid waarbij de producent het product ziet door de "ogen van de consument", d.w.z. het product zo goed mogelijk overeenkomstig de wensen van de consument maakt.
is een commerciëel beleid gebaseerd op de vier p's: prijs, product (productdiffertiatie), promotie en de plaats (de distributie).
is het geheel van vraag en aanbod (naar en van een bepaald goed). Dit is een abstract marktbegrip. Op de markt van eindproducten zijn de producenten de aanbieders en de consumenten de vragers.
is van een producent zijn omzet uitgedrukt in de totale marktomzet.
is sprake van wanneer bij een bepaalde prijs de aangeboden hoeveelheid van een goed precies gelijk aan de gevraagde hoeveelheid. Grafisch gezien is dit het punt in het snijpunt van de aanbodcurve met de vraagcurve. Deze bepaalde prijs heet de evenwichtsprijs.
wordt bepaald door het aantal aanbieders en vragers. Markttypen (met veel vragers) zijn het polypolie, oligopolie en monopolie. Samen met de marktstructuur is de marktvorm bepaald.
wordt bepaald door de aard van het product (homogeen of heterogeen), doorzichtigheid (transparant) en de toe- en uittredingsmogelijkheden. Dit wordt ook wel aangeduid of de markt volkomen of onvolkomen is.
wordt bepaald door het aantal aanbieders (en vragers), aard van het goed, de doorzichtigheid van de markt, en de toe- en uittredingsmogelijkheden. Het zijn de totale omstandigheden waaronder de producenten met elkaar concurreren. De volgende marktvormen zijn te onderscheiden: volkomen concurrentie, monopolistische concurrentie, homogeen oligopolie, heterogeen oligopolie en monopolie.
is sprake van als de coördinaat prijs/hoeveelheid precies midden op de prijsafzetcurve of de vraagcurve zit. De prijselasticiteit van de vraag is dan -1.
is sprake bij die productieomvang waarbij de marginale kosten (MK) gelijk zijn aan de marginale opbrengsten (MO).
is een door overheidsinterventie vastgestelde prijs waarboven een goed of dienst niet mag worden verkocht. Met dit marktbeleid probeert de overheid de consument tegen te hoge prijzen te beschermen. Het gevolg van een maximumprijs is een vraagoverschot, waardoor de overheid met aanvullende maatregelen moet komen, zoals een distributieregeling (bijvoorbeeld een wachtlijst).
zie de Mededingswet.
zie de Mededingswet.
is de opvolger van de Wet Economische Mededinging. Onder deze nieuwe Mededingingswet zijn (sinds 1998) kartels en andere economische machtsposities in principe verboden, tenzij door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) er goedkeuring aan is gegeven. De NMA moet kartels en economische machtsposities opsporen en kan boetes opleggen. Het verbodsstelsel houdt in dat de NMA goedkeuring kan verlenen als is aangetoond dat de kartelafspraken niet ongunstig uitwerken op de mededinging. Dit kan best het geval zijn bij sommige innovaties.
is de extra fysieke opbrengst als gevolg van het inzetten van één extra eenheid van een variabele productiefactor. In formulevorm is bijvoorbeeld de meeropbrengst van arbeid: deltaQ/deltaA, waarin Q de fysieke opbrengst (productie) voorstelt en A de eenheden arbeid. De meeropbrengsten worden ook wel eens grensopbrengsten genoemd. Maar verwar het begrip meeropbrengst niet met het begrip marginale opbrengst.
is de maximale hoeveelheid melk dat een per veehouder in een bepaalde periode mag worden geproduceerd. De minimumprijs voor melk heeft in het verleden binnen de Europese Gemeenschap tot zeer grote overschotten aan melkproducten geleid ("boterberg en melkplassen"). Om tot een betere verdeling te komen werkt men met een stelsel van maatregelen, waaronder de melkquota en superheffing.
is een door de overheid of veilingbestuur vastgestelde prijs, waaronder het goed niet mag worden verkocht. Met dit beleid probeert men de producent te beschermen. De minimumprijs is een soort garantieprijs, waardoor het inkomen van de producent iets meer gegarandeerd is. Een minimumprijs leidt tot een aanbodoverschot.Dit aanbodoverschot moet als aanvullende maatregel opgekocht worden, en dient voor andere doeleinden gebruikt te worden, of vernietigd te worden. Zie ook melkquota
marktvorm waarbij een ondernemer de enige aanbieder is. De prijsafzetcurve van de monopolist is een dalende curve, en valt samen met de collectieve vraagcurve. Zie voor het ontstaan van monopolies de soorten monopolies.
marktvorm waarbij zeer veel aanbieders een heterogeen product aanbieden.
houdt toezicht op de naleving van de Mededingingswet (1998). De NMA moet kartels en economische machtsposities opsporen en boetes opleggen. Ook is de NMA belast met de uitvoering van het concentratietoezicht.
is sprake van als de fysieke opbrengst relatief minder stijgt dan de stijging van de productiefactoren, wanneer men alle productiefactoren laat toenemen. Verwar het begrip schaalopbrengst niet met het begrip meeropbrengst.
betekent dat de oligopolisten bij het gevecht om de marktpositie niet de prijs als concurrentiewapen hanteren, maar promotionele acties, productdifferentiatie, innovatie, en tot gezamelijke afspraken (kartels) proberen te komen.
is het wettelijk alleenrecht om gedurende een bepaalde tijd (ca. 20jaar) een product te maken.
marktvorm waarbij weinig aanbieders optreden, die door hun geringe aantal duidelijk de gevolgen van elkaars acties ondervinden. Daarom verloopt de concurrentiestrijd meestal niet via de prijs maar door middel van promotionele acties (reclame). Er is daarom bij het oligopolie sprake van prijsstarheid. Wanneer één van de oligopolisten de prijs zou verlagen dan beschouwen de anderen dat als een aanval op de markt en gaan ook hun prijs verlagen. Omdat dit een strijd op leven en dood zou opleveren, gaat men meestal liever deze strijd uit de weg, en is de kans groot op kartelafspraken. Men onderscheidt homogeen en heterogeen oligopolie
is de totale waarde (totale opbrengst) van de verkopen (afzet) in een bepaalde periode. In formule vorm: TO = p x q ; waarin TO de omzet of totale opbrengst is en q de afzet.
is sprake van wanneer de productiefactoren zodanig zijn aangewend overeenkomstig de wensen van de consumenten. In de economische wetenschap viel de keuze meestal gunstig uit voor de marktvorm volkomen concurrentie, omdat de prijs gelijk is aan de marginale kosten. Ook ingeval van een monopolie kan sprake zijn van optimale allocatie wanneer de prijs gelijk is aan de marginale kosten (snijpunt MK-functie met de prijsafzetfunctie). Dit wordt het punt van Lerner genoemd.
te grote productiecapaciteit in verhouding tot de gevraagde capaciteit.
is ontstaan door een overheidsmaatregel of door wet. In het laatste geval spreekt men ook wel van een wettelijk monopolie.
is het opkopen door meestal een grote onderneming van de aandelen van een kleinere onderneming. De kleine onderneming zit hierbij in een afhankelijke positie. Vaak is de overname het gevolg van een (dreigend) faillissement, maar het kan ook het gevolg zijn van het groeibeleid van een grote onderneming. Wanneer het opkopen van de aandelen grootscheeps en in het geheim plaatsvindt, spreekt men wel van een overval. Gaan twee (of meer) ondernemingen samen op basis van gelijkwaardigheid, dan spreekt men van een fusie.
is een markttype met veel aanbieders en veel vragers. Het is te verdelen in de marktvormen volkomen concurrentie (= homogeen polypolie) en monopolistische concurrentie (= heterogeen polypolie).
is sprake van als de fysieke opbrengst relatief meer stijgt dan de stijging van de productiefactoren, wanneer men alle productiefactoren laat toenemen. Verwar het begrip schaalopbrengst niet met het begrip meeropbrengst.
zijn producenten die tot de markt kunnen toetreden als een monopolist een te hoge prijs vraagt. Dit is een reden dat de monopolist niet in het punt van Cournot zit, maar een lagere prijs vraagt om de potentiële concurrenten buiten de markt te houden. Daarom streeft een monopolist niet altijd naar maximale winst.
laat zien welke hoeveelheden kunnen worden verkocht bij uiteenlopende prijzen. Algemene gedaante p = ax + b met a<0, b>0. De prijsafzetfunctie is hetzelfde als de gemiddelde opbrengstenfunctie. Zie ook individuele afzetcurve.
de curve hiervan valt samen met de collectieve vraagcurve, omdat de monopolist de gehele markt beheerst. Zie ook individuele afzetcurve.
is sprake van als een monopolist verschillende tarieven hanteert die gebaseerd zijn op verschil in kosten, bijvoorbeeld door een betere benutting van de kapitaalgoederenvoorraad (of het productieproces). Voorbeelden zijn piek en daluren. Het onderscheid tussen prijsdifferntiatie en prijdiscriminatie is niet scherp. Vaak worden deze begrippen door elkaar heen gebruikt. Prijsdifferentiatie moet men echter niet verwarren met productdifferentiatie!
situatie waarbij een monopolist op gescheiden deelmarkten verschillende verkoopprijzen hanteert. Bijvoorbeeld lagere tarieven voor 65+ bij het openbaar vervoer. Het vrije tijdstarief bij PTT-telecom is een voorbeeld van prijsdifferentiatie.
is een samenwerkingsvorm tussen oligopolisten waarbij men gezamelijk één prijs heeft afgesproken. Zo'n afspraak kan eigenlijk alleen voor min of meer homogene goederen, omdat de productiekosten niet teveel mogen verschillen. Daarom is, als het doel is de prijs te reguleren, vaak het calculatiekartel of het hoeveelheidskartel een alternatief. Zie eventueel ook andere kartelvormen.
is de machtigste aanbieder op de marktvorm a-symmetrisch oligopolie, die min of meer de prijs bepaalt. Bijvoorbeeld Unilever op de margarinemarkt.
aanbieder die zelf zijn verkoopprijs vaststelt (monopolie en oligopolie)
is het streven (commerciëel beleid) van de producenten om hun producten te onderscheiden van die van de concurrenten. Hierbij is het voeren van een duidelijke merknaam onontbeerlijk. De verschillen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door verschil in kwaliteit, vormgeving of service. Ook door reclame kan de kopersvoorkeur veranderen, en neemt de heterogeniteit van een product toe.
is een middel waarmee wordt geproduceerd. De productiefactoren zijn: natuur, arbeid, kapitaal. Sommige economen onderscheiden ook nog de ondernemersactiviteit (of ondernemerscapaciteit).
Zie hoeveelheidskartel.
van kosten houdt in dat de kosten meer dan evenredig stijgen met de productie-omvang. Dit gedeelte van de kostencurve komt overeen met de afnemende meeropbrengsten van de Wet van de toe- en afnemende meeropbrengsten..
vormen een onderdeel van de marketing mix, zoals reclame en tijdelijke aanbiedingen.
van kosten houdt dat de kosten evenredig stijgen met de productie-omvang. In deze situatie is de TK (en de TVK ) een lineaire functie (dus een rechte lijn), en geldt dat GVK = MK (= constant).
punt op de prijsafzetcurve waarbij de monopolist zijn maximale winst behaalt. Omdat het punt altijd op de linkerhelft van de prijsafzetfunctie zit is de omzet niet maximaal. Bij een lagere prijs zal de omzet stijgen, omdat prijselasticiteit van de vraag in het punt van Cournot elastisch is. Een prijsdaling doet de vraag meer dan evenredig stijgen. In het midden van de vraagcurve is de omzet maximaal en prijselasticiteit -1.
punt op de prijsafzetcurve waarbij voor de monopolist de prijs gelijk is aan de marginale kosten. Er is dan sprake van optimale allocatie.
of marktverdelingskartel is een samenwerkingsvorm tussen oligopolisten, waarbij men de markt onderling heeft verdeeld. Zie eventueel ook andere kartelvormen.
productieomvang waarbij MO=MK, dus waar de ondernemer maximale winst heeft.
is een samenwerkingsvorm tussen oligopolisten, waarbij men afspraken maakt over gezamelijk onderzoek. Zie eventueel ook andere kartelvormen.
zijn de extra opbrengsten als men alle productiefactoren met een extra eenheid laat toenemen. Hierbij kan sprake zijn van positieve schaalopbrengsten, constante schaaalopbrengsten en negatieve schaalopbrengsten.
betekent productie op grotere schaal, met voor de onderneming vaak grote kostenvoordelen (positieve schaalopbrengsten) als gevolg van productievere machines. Andere voordelen zijn een verdergaande interne arbeidsverdeling, een eigen (beter) uitgeruste research afdeling om het product te kunnen verbeteren en/of om nieuwe producten te kunnen ontwikkelen, en een groter reclame budget om promotionele acties te kunnen voeren. Aan schaalvergroting zitten ook nadelen verbonden, zoals het minder flexibel worden van de onderneming, de afstand tussen de leiding en de werknemers wordt te groot voor een goede communicatie, en de betrokkenheid (motivatie) van de werknemers kan afnemen, met als gevolg ook een hoog ziekteverzuim.
voordelen die ontstaan door vergroting van de omvang van de produktiecapaciteit.
naar de wijze van ontstaan zijn: het natuurlijk monopolie, het overheidsmonopolie, technologisch monopolie en het feitelijke monopolie.
productiefactoren die inwisselbaar zijn. Zie ook L.12
is de marktvorm van het oligopolie, waarvan de belangrijkste bedrijven ongeveer een gelijk marktaandeel hebben. Er is dus dan geen prijsleider.
zijn belemmeringen om tot een markt te kunnen toetreden. Meestal zijn dit wettelijke bepalingen, vergunningen, vestigingseisen, hoge investeringen, etc.
zijn alle kosten die onafhankelijk zijn van de productie-omvang. Dit zijn bijvoorbeeld huren (pacht), rente (interest) op leningen, en de afschrijvingen op vaste kapitaalgoederen.Ook de loonkosten zijn voor een deel onafhankelijk van de bedrijfdrukte, dus deels constant.
zijn alle kosten die de producent in een bepaalde periode maakt. De totale kosten te verdelen in de totale variabele kosten (TVK) en de totale constante kosten (TCK). In formulevorm: TK=TVK + TCK. De totale kosten worden ook wel integrale kosten genoemd.
zijn alle kosten die afhangen van de productie-omvang. Dit zijn bijvoorbeeld de grondstofkosten, kosten van halffabricaten, energie en diensten van derden (soms gedeeltelijk).
is een volkomen doorzichtige markt.
is een groep zelfstandige ondernemingen, die met elkaar verbonden zijn, doordat een bedrijf de aandelen in handen heeft. Zo'n bedrijf wordt een houdstermaatschappij genoemd.
kapitaalgoederen die meer dan een produktieproces meegaan. Dit zijn bijvoorbeeld de gebouwen, machines, transportmiddelen en de inventaris. Op het vaste kapitaal wordt door de ondernemer afgeschreven. Zie eventueel afschrijvingen.
is sprake van als geen van de aanbieders het gevoel heeft invloed uit te kunnen oefenen op elkaars marktpositie. Ingeval van een heterogeen goed kan men een eigen prijspolitiek voeren en zijn producenten prijszetters. Is er sprake van homogene goederen dan zijn de producenten hoeveelheidsaanpassers.
is een plaats waar goederen via loven en bieden van eigenaar verwisselen. Een veiling is een voorbeeld van het concrete marktbegrip.
situatie waarbij een producent aan een winkelier voor schrijft tegen welke prijs deze zijn product moet verkopen
kapitaalgoederen die bij de productie worden verbruikt in een productieproces.
marktvorm waarbij zeer veel aanbieders en vragers optreden op een volkomen markt. Volkomen concurrentie wordt ook wel vaak "volledige mededinging". De vier voorwaarden wil er sprake zijn van volkomenconcurrentie zijn dus: 1e. veel aanbieders en veel vragers; 2e. homogeen goed; 3e. transparante markt; 4e. vrije toe en uittreding. De individulele producent bij volkomen concurrentie is een hoeveelheidsaanpasser.
markt die gekenmerkt wordt door een homogeen goed, waar volledige informatie over bestaat en de toe- en uittreding vrij is.
is sprake van als op een markt de gevraagde hoeveelheid naar een goed groter is dan de aangeboden hoeveelheid, zoals bijvoorbeeld bij een minimumprijs.
is sprake van als op een markt de gevraagde hoeveelheid naar een goed kleiner is dan de aangeboden hoeveelheid, zoals bijvoorbeeld bij een maximumprijs.
betekent dat er geen belemmeringen zijn om tot de markt toe te treden of uit te treden. Er zijn dan geen wettelijke of andere belemmeringen om het goed te gaan aanbieden of om juist de productie te staken.
krachtens deze (inmiddels verouderde) wet (uit 1956) kan de Minister van Economische Zaken tegen ongewenste economische machtsposities optreden. De Nederlandse wetgeving was een zogenaamde misbruikwetgeving. Kartel afspraken waren niet verboden, mits aangemeld bij het kartelregister en er geen sprake was van machtsmisbruik. Maatregelen die de Minister kon nemen waren: aanwijzingen geven, kartelregister openbaar maken of een kartel onverbindend verklaren. Het beleid van de Europese Unie is een verbodswetgeving, kartel afspraken zijn in principe verboden. In 1996 is er (bij onze regering) een ontwerp ingediend die de oude wet uit 1956 moet vervangen, waardoor de verschillen tussen de Europese en Nederlandse wetgeving zullen vervagen. Vanaf 1998 geldt in Nederland in navolging van het EU-beleid een verbodswetgeving, die is vervat in de Mededingingswet en gecontroleerd wordt door de NMA.
bij toevoeging van steeds meer eenheden van een variabele productiefactor aan constant gehouden productiefactoren, zal de fysieke meeropbrengst eerst toenemen, later voorbij een bepaald punt afnemen en tenslotte negatief worden. Volgens deze wet loopt de grafiek van de meeropbrengsten door het maximum van de gemiddelde fysieke opbrengsten.
is sprake van als de aanbieders het gevoel hebben ernstig rekening met elkaar te moeten houden, wat de concurrentie betreft. (Zie ook het oligopolie). Als één van de deelnemers zijn prijs verlaagt heeft dat merkbare gevolgen voor het marktaandeel van de anderen. Wanneer het aantal zo groot is dat men niet de gevolgen merkt, dan kan men spreken van veel aanbieders. De overgang van "weing" naar "veel" is natuurlijk niet scherp, en is sterk afhankelijk van de persoonlijke beoordeling (van de producent) van de marktsituatie. Dit wordt mede ook bepaald door het verschil in grootte van de marktaandelen. Soms is er sprake van één grote aanbieder met een aantal kleinere, waarbij de grote aanbieder de rol van prijsleider vervult.
is het verschijnsel dat de feitelijke productiekosten hoger zijn dan de minimale. Een belangrijke oorzaak voor dit verschijnsel is de interne besluitvorming, zoals bijvoorbeeld inspraakprocedures, bureaucratisering, etc. Dit leidt tot hogere kosten dan dat strikt nodig is.
Disclaimer
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |
Copyright © M. Kalk, Lelystad