...............................................................
is verticaal een activiteit aan het productieproces toevoegen, vanaf de richting van de oerproducent. Door integratie wordt de bedrijfskolom korter, en verdwijnt er een markt..
is de totale beroepsbevolking minus de zelfstandigen.
is een commercieel beleid waarbij de ondernemer voor (meestal) een nieuw product een relatief hoge prijs vraagt. Alleen een kleine groep consumptiepioniers kan die prijs betalen. Na verloop van tijd wordt de prijs geleidelijk lager, zodat ook andere consumenten het product gaan kopen. De afroompolitiek is voor de ondernemer voordelig omdat aanvankelijk de productiecapaciteit van het nieuwe product beperkt is en ook geleidelijk kan worden uitgebreid. Via de afroompolitiek wordt in feite door de ondernemer een groter deel van het consumentensurplus "binnengehaald" (afgeroomd).
betekent dat tot een zeker maximum (maximaal bedrag) aan compensatie wordt gegeven. In de zeventiger jaren is als inkomenspolitiek dikwijls de prijscompensatie afgetopt. Dit had tot gevolg dat er enige nivellering plaats vond van de primaire inkomensverdeling.
soort pensioenuitkering die iedere Nederlander krijgt op een leeftijd van 65e jaar, op basis van de Algemene Ouderdoms Wet. De financiering van de AOW vindt plaats via het omslagstelsel.
is hetzelfde als de beroepsbevolking (in arbeidsjaren). Het is o.a. afhankelijk van de omvang van de bevolking, de leeftijdsopbouw van de bevolking, de deelname aan onderwijs, de participatiegraad en de mogelijkheid/ wenselijkheid van deeltijdarbeid. (Als men meer in deeltijd wil gaan werken neemt het arbeidsaanbod af.)
betreft nieuwe of verbeterde technieken, waardoor dezelfde productie met minder mensen kan worden voortgebracht. Deze technische ontwikkeling leidt tot meer diepte-investeringen.
geeft de verhouding aan tussen de hoeveelheid arbeid (= aantal mensen) en het nationale product. Men spreekt ook wel van arbeidsintensiteit.
betekent dat men tot aan zijn pensioen totaal minder uren hoeft te werken. Concreet wordt dit meestal vertaald tot voor de werknemer een kortere werkweek, of een een aantal dagen extra vrij perjaar, of een VUT-regeling.
is de opvatting dat men pas een volwaardig lid van de samenleving is als men betaald werk heeft.
de loonsom werknemers plus een aan zelfstandigen (L.2) toegerekend arbeidsinkomen, gedeeld door de netto toegevoegde waarde voortgebracht door de bedrijven. Externe link: arbeidsinkomensquote
wanneer bij het produceren relatief veel arbeid wordt gebruikt. De productiefactor arbeid overheerst.
geeft aan hoeveel uren dat een werknemer met een volledige baan per jaar werkt, vroeger ook wel manjaren genoemd. Zowel de werkgelegenheid als de werkloosheid wordt vaak in arbeidsjaren uitgedrukt, waardoor verschillende jaren (perioden) beter met elkaar vergeleken kunnen worden. Door deeltijdarbeid is het aantal mensen groter dan het aantal arbeidsjaren.
is een abstracte markt (= het geheel van vraag en en aanbod) betreffende
de productiefactor arbeid. Er is niet sprake van van één markt,
maar van zeer veel deelmarkten, omdat de productiefactor arbeid zeer heterogeen
is. N.B.: Op de arbeidsmarkt zijn de werknemers de aanbieders en de werkgevers
de vragers.
Externe link: arbeidsmarkt
is een maatstaf voor de bereidheid van werkkring of beroep te veranderen.
is de gemiddelde productie per werknemer gedurende een bepaalde periode.
Zie ook begrippen L.3
Externe links: arbeidsproductiviteit
I , arbeidsproductiviteit
II
tekort aan de produktiefactor arbeid in verhouding tot de produktiefactor kapitaal. Er is dan sprake van een overspannen arbeidsmarkt.
is het verdelen van de arbeids-taken in deel-taken; zie ook begrippen
L.4specialisatie. Arbeidsverdeling is een van de mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit
te vergroten. Vormen van specialisatie zijn: de interne
arbeidsverdeling, de externe arbeidsverdeling,
de regionale arbeidsverdeling, de
geografische arbeidsverdeling
en de internationale arbeidsverdeling.
Externe link: arbeidsproductiviteit
I
is het (meestal) jaarlijks overleg tussen de sociale partners in de Stichting van de Arbeid over de arbeidsvoorwaarden. Wanneer men hier tot overeenstemming komt dan is er sprake van een centraal akkoord. Ook lukt het wel eens niet om direct tot overeenstemming te komen, en dan vinden onderhandelingen plaats op bedrijfstak niveau. Deze onderhandelingen zijn harder en kunnen tot acties (stakingen) leiden. Het feit dat deze acties in Nederland beperkt blijven, en dat het kracht bijzetten van de looneisen zoveel mogelijk aan de onderhandelingstafel gebeurt, waarbij ook rekening wordt gehouden met het belang van loonmatiging voor de werkgelegenheid, heeft geleid tot het begrip "Poldermodel".
aanpassing van de lonen aan de gestegen prijzen volgens een systeem dat afgesproken is in het arbeidsvoorwaarden overleg. Dit systeem heeft in de zeventiger jaren o.a. geleid tot een versterking van de inflatie (loon-prijs-spiraal). Door middel van aftoppen heeft men, in deze periode als inkomenspolitiek, enige nivellering geprobeerd te realiseren.
betekent dat de invloed van de productiefactor arbeid op het terrein van de besturing en de controle van het productieproces steeds verder teruggedrogen wordt. Zie ook de begrippen L.3 diepte-investeringen.
zie begrippen L.4..
is inkomen dat iedereen ontvangt, ongeacht zijn levensomstandigheden.
is een (horizontale) wettelijke organisatie van ondernemingen die dezelfde maatschappelijke functie hebben. De wettelijk grondslag ligt bij de Wet op de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO), en de bevoegdheden liggen op het sociale vlak: sociale uitkeringen, regeling van werktijden, etc.Wanneer een bedrijfschap is ingesteld moet ieder bedrijf in die bedrijfstak daar lid van zijn, en zich houden aan de regels die het bedrijfsschap stelt.
laat de weg zien (de tussenstappen) die een product doorloopt van oerproducent (= grondstofproducent) tot aan de consument. De tussenstappen noemt men geledingen, en zijn op te vatten als bedrijfstakken.
is een groep ondernemingen met een gelijksoortige productie en zich bevinden op dezelfde hoogte van de bedrijfskolom.
is het aantal uren per week dat een bedrijf productief is.
hiertoe behoort iedereen met een baan plus de officiële werkloosheid.
Externe link: arbeidsmarkt
hiertoe behoort iedereen tussen de 15 en 65 jaar, die in principe instaat is te werken.
is een rechtsvorm, waarbij de aandelen op naam staan en niet vrij verhandeld kunnen worden. De BV is een rechtspersoon.
is sprake van als het geboortecijfer het sterftecijfer in sterke mate overtreft.
is verkregen krediet om de lopende uitgaven te kunnen financieren tijdens een surseance van betaling of een faillissement.
is zeer vergaande parallellisatie.
beloning van de productiefactor arbeid voor aftrek van de af te dragen belastingen
en verzekeringspremies. Het bruto loon is één de primaire
inkomens.
Externe link: bruto-loon
zie begrippen L.3
Collectieve arbeidsovereenkomst; geldt altijd voor een groep werknemers (van een groot bedrijf of bedrijfstak). Een CAO bevat zowel primaire als secundaire arbeidsvoorwaarden. Externe link: CAO
zijn vakbonden die niet bij één van de drie vakcentrales zijn aangesloten.
is de verdeling van het nationaal inkomen over de productiefactoren arbeid (loon), natuur (pacht), kapitaal (interest) en als restpost de ondernemersactiviteit (winst). De arbeidsinkomensquote (AIQ) is een maatstaf voor de categoriale verdeling. Externe link: categoriale inkomensverdeling
een afspraak tussen de werknemersbonden en werkgevers en de overheid gemaakt in de Stichting van de Arbeid over de loonontwikkeling en andere arbeidsvoorwaarden. Deze afspraak is een richtlijn voor alle CAO's, die overeenkomstig het centraal akkoord moeten worden aangepast.
is een rechtsvorm met twee soorten eigenaren, namelijk beherende en stille vennoten. De beherende vennoten zijn net als bij de v.o.f., hoofdelijk aansprakelijk met hun privé vermogen, maar de stille vennoot is slechts aansprakelijk maximaal voor het bedrag als deelname in de vennootschap.
houdstermaatschappij (moedermaatschappij) samen met de werkmaatschappijen (dochters).De activiteiten van een concern kunnen vaak een bundeling van branchevreemde activiteiten zijn.Voorbeelden van concerns zijn: Shell, Akzo, Unilever, Ahold, Philips etc. Deze grote bedrijven zijn meestal ook multinationals.
houdt in principe in dat één volledige baan door meerdere personen wordt bezet. Concreet betekent het dat men geen volledige weektaak heeft.
zie begrippen L.3
is het verticaal afstoten door een geleding van een activiteit (productiestap) in een bedrijfskolom. Er komt daardoor een geleding bij, (en een markt).
is een deel van de winst dat aan de aandeelhouders van een vennootschap (NV of BV) wordt uitgekeerd.
is het verschil tussen de bezittingen (activa) en de schulden (vreemd vermogen van de passiva) op de balans. Voor een vennootschap (NV of BV) is dit gelijk aan het door de aandeelhouders ingebrachte aandelenkapitaal plus de winstreserve.
houdt de specialisatie in tussen de ondernemingen. Bijvoorbeeld de ene onderneming maakt computers, de andere koffiezetapparaten etc.
houdt de manier in waarop een huishouding aan geld komt om de uitgaven te vergroten. Bijvoorbeeld hoe een gezin aan geld komt voor aanschaf van een auto, caravan of huis etc.; of hoe een ondernemer zijn bedrijf opzet of uitbreidt.
werkloosheid die het gevolg is dat het tijd kost om de reeds aanwezige vacature te vinden en te vervullen. Deze werkloosheid kan bestreden worden door betere informatievoorziening via de arbeidsbureau's (en internet!) en efficiëntere sollicitatieprocedures. Externe link: frictie werkloosheid
samengaan van twee of meer ondernemingen tot een nieuwe. Het verschil met een overname is, dat een fusie op een meer vrijwillige basis tot stand komt.Bij het tot standkomen van een fusie dient men zich te houden aan de fusiegedragsregels. Zie voor deze regels bij de SER.
is de verdeling van het inkomen naar de functie die de inkomenstrekker heeft bij de productie. Het is de verdeling van loon, interest, pacht en winst op micro-niveau.
houdt in dat de loonsverhogingen worden afgestemd op de gemiddelde arbeidsproductiviteits- stijgingen per bedrijfstak.
is loon dat automatisch wordt aangepast als (bijvoorbeeld) de prijzen stijgen.
is een bewerkingsstap in de bedrijfskolom. Een bedrijfstak wordt gevormd door geledingen op dezelfde hoogte van de bedrijfskolom. Verticaal tussen de geledingen bevinden zich markten.
is sprake van als de overheid, meestal als gevolg van steunverlening, een belang neemt in de onderneming in de vorm van aandelen. Voorbeelden zijn de KLM en (het voormalige) Fokker.
alle werklozen die ingeschreven staan bij een arbeidsbureau, en beschikbaar zijn voor meer dan 12 uur per week.
is te verdelen in regionale en in internationale arbeidsverdeling.
is dat deel van de informele economie, dat legaal is, zoals vrijwilligers werk.
is hetzelfde als het groeipercentage.
betekent dat de vennoten ieder voor de gehele schuld van de vennootschap kan worden aangesproken met hun privé vermogen.
is een houdstermaatschappij (moedermaatschappij), d.w.z. een overkoepelende organisatie die de aandelen bezit van verschillende ondernemingen (werkmaatschappijen/dochters). Zo'n totale organisatie wordt ook wel een concern genoemd.
zijn: 1e de aard vande productie of het product (primaire-, secundaire-, tertiaire- en kwartaire sector): 2e de omvang van de onderneming (omzet, aantal werknemers, vloeroppervlak, aandelenvermogen etc.); 3e eigendom (overheid, particulier of gemend); 4e rechtsvorm (eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, naamloze vennootschap, besloten vennootschap, stichting en coöperatieve vereniging); de wijze van produceren (kapitaalintensief of arbeidsintensief).
betreft alle economische activiteiten die niet in de officiële cijfers
tot uitdrukking komen, omdat de gegevens zich niet laten registreren. Het
betreft hier niet alleen het "zwart en
grijs" werken, maar ook legale activiteiten
die aan de waarneming van het CBS voorbij gaat.
Men spreekt daarom ook wel van verborgen circuit.
Externe link: formele
en informele economie
betreft loonstijging als gevolg van carriëre ontwikkeling (promotie, anciëteit)
is het verlichten van de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting om drukverzwaring te voorkomen als de lonen nominaal stijgen tengevolge van inflatie. Immers door de prijscompensatie komt iedereen met een groter deel van zijn inkomen in een hogere belastingschijf (hoger marginaal tarief), en men zou netto niet de gewenste compensatie ontvangen. De nominale stijging is in dat geval groter dan de reële.
betreft alle noodzakelijke voorzieningen op het gebied van transport en communicatie om het ondernemen mogelijk te maken. Concreet betekent het de wegen, bruggen, tunnels, spoorlijnen, vliegvelden, havens, telecommunicatie etc.; alles dus dat helpt om twee of meer geografische punten met elkaar te verbinden.
is hetzelfde als een reële loonstijging.
betekent het invoeren van nieuwe technieken in het productieproces of het voortbrengen van nieuwe of verbeterde producten. Hierdoor kunnen innovaties een stimulans betekenen voor de economische groei.
is het verticaal samenvoegen van twee geledingen in een bedrijfskolom. Er verdwijnt een markt.
is de basis voor de internationale handel. Landen leggen zich toe op die productie, waar men relatief goed in is. Op deze wijze vindt de productie mondiaal gezien het meest efficiënt plaats.
is de specialisatie binnen een onderneming. Meestal legt een werknemer zich toe op slechts enkele taken binnen het productieproces.
is het financieren van investeringen uit het eigen vermogen. Meestal reserveert men hiervoor een deel van de winst(reserve).
bestaat uit de volgende onderdelen: het verslag van de directie, balans en de resultatenrekening, de toelichting op de cijfers, en een accountantsverklaring.
is de waarde van de kapitaalgoederen gedeeld door het nationaalinkomen. De eenheid is jaren, en geeft aan hoeveel jaar geproduceerd moet worden wil het totale verdiende nationaal inkomen in die jaren gelijk zijn aan de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad.
is het pensioenstelsel, waarbij de werknemer (in principe) door premiebetaling voor zijn eigen pensioen heeft betaald. Dit in tegenstelling tot het omslagstelsel.
betekent dat er relatief veel kapitaalgoederen bij het produceren gebruikt worden. Zo is het produceren van microprocessers kapitaalintensiever dan het kweken van asperges.
productie per eenheid kapitaal per tijdseenheid. Als berekening kan men het nationaalinkomen delen door de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad.. De omgekeerde waarde (= reciproke waarde) is de kapitaalcoëfficiënt.
tekort aan de produktiefactor kapitaal in verhouding tot de productiefactor arbeid.
zijn de 15 door de Kroon benoemde leden (onafhankelijke deskundigen) in de Sociaal Economische Raad (SER).
de scholing van de werklozen sluit niet aan op de gevraagde arbeidsplaatsen. Een mogelijkheid om kwalitatieve structurele werkloosheid te bestrijden is het stimuleren van omscholing. Externe link: kwalitatieve structurele werkloosheid
het maximaal beschikbaar aantal arbeidsplaatsen is niet voldoende voor de beschikbare beroepsbevolking. De hoeveelheid kapitaalgoederen vormen een knelpunt. Een mogelijkheid om kwantitatieve structurele werkloosheid te bestrijden is het stimuleren van investeringen, opdat het aantal arbeidsplaatsen toeneemt. Externe link: kwantitatieve structurele werkloosheid
is dat deel van de dienstensector dat niet op winst gericht is. Men spreekt ook wel van non-profit sector of niet-commerciële sector.
is het opheffen van een bedrijf (bijvoorbeeld bij faissement) waardoor het vast gelegde vermogen in geld beschikbaar komt, doordat alle activa worden verkocht.
geeft aan in welke mate de onderneming in staat is op korte termijn aan haar direct opeisbare verplichtingen te voldoen. In het algemeen is het de verhouding tussen de liquide middelen en de directopeisbare schulden. In de bedrijfseconomie onderscheidt men de current ratio en de quick ratio. Zie voor het geld en bankwezen het liquiditeitsbegrip begrippen L.4
is men als werknemer, wanneer men werkt op basis van een vast (of tijdelijk) arbeidscontract.
voor een werkgever bestaat uit het brutoloon plus (het aandeel in) de sociale verzekeringspremies die de werkgever moet betalen voor de werknemer.
is inflatie dat veroorzaakt wordt doordat de lonen sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit. Dit betekent dat de loonkosten per product zullen toenemen, wat uiteindelijk in de prijzen zal worden doorberekend, zodat de prijzen zullen stijgen.
betreft een ingrijpen krachtens de Loonwet door de overheid (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in de ontwikkeling van de lonen.
overleg over lonen en andere arbeidsvoorwaarden door de sociale partners in de Stichting van de Arbeid.
is een loonmaatregel van de overheid, waarin de sociale partners opgelegd is dat gedurende een bepaalde periode de lonen niet algemeen mogen stijgen. Incidentele loonstijgingen zijn wel toegestaan.
betreft het verschijnsel dat de gestegen lonen in de prijzen worden doorberekend en dat daar opvolgend de gestegen prijzen weer leiden tot hogere looneisen, etc.
de totale loonsom/nationaal inkomen.
is het percentage dat de lonen maximaal mogen stijging op grond van economische factoren, zoals bijvoorbeeld de productiviteitsstijging en de inflatie. Loonstijging boven de loonruimte kan leiden tot een dusdanige arbeidskostenstijging, die verlies van internationale concurrentie- positie tot gevolg kan hebben.
kromme waarmee de scheefheid van een verdeling kan worden uitgebeeld.Toepassing hiervan is bijvoorbeeld de personele inkomensverdeling, de vermogensverdeling en de verdeling van de marktaandelen. De afwijking van de diagonaal is een maatstaf voor de ongelijkheid. De diagonaal geeft de volkomen gelijke verdeling weer. (Zeg niet de meest rechtvaardige verdeling, want dat is een waarderingsoordeel!). Ook is het mogelijk om de ongelijkheid in een getal uit te drukken door het berekenen van de Ginicoëfficiënt. Externe links: Lorenzcurve I , Lorenzcurve II
is het hoogste belastingtarief, waarin een belastingplichtige met zijn inkomen valt. Het huidige belastingsysteem inkomstenbelasting heeft naast de belastingvrije voet drie schijven met de volgende tarieven: ca. 38%, 50% en 60%. Zie ook begrippen L.9
is de omzet van een onderneming uitgedrukt in een percentage van de totale marktomzet.
houdt het invoeren in van machines, waarbij de mens nog een belangrijke rol speelt. Bij mechanisatie neemt de productiviteit toe, maar is ook mede afhankelijk van het arbeidstempo. Het invoeren van machines heeft ook invloed op de arbeidsverdeling, die hiedoor nog verder wordt doorgevoerd. Wanneer invoering van machines tot gevolg heeft dat de mens geen invloed meer heeft op het productietempo, spreekt men van automatisering.
zijn banen die door de maatregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Melkert) tot stand gekomen zijn. De maatregel heeft tot doel om langdurig werklozen weer ervaring op te laten doen in het arbeidsproces.
zie het begrip arbeidsmobiliteit.
is bij de personele inkomensverdeling het inkomen dat behoort bij de modale klasse. De modale klasse is de klasse met de hoogste frequentie, d.w.z. de klasse met het meest voorkomende inkomen.
is de meest voorkomende werknemer. Als modaal gezin neemt het CBS man, vrouw met twee kinderen tot aan 16 jaar met een inkomen rond de ziekenfondsgrens (ongeveer ƒ55.000,- per jaar). Zie ook modaal inkomen.
is een rechtsvorm waarbij de aandelen vrij verhandelbaar zijn. De NV is een rechtspersoon, waardoor er een scheiding is tussen eigendom en de leiding van de onderneming. De leiding is in handen van de directie, die geen aandeelhouder hoeft te zijn (mag wel). Namens de aandeelhouders wordt door een raad van commissarissen toezicht uitgeoefend op de directie.
beloning van de productiefactor arbeid minus de af te dragen belastingen en sociale verzekeringspremies. Externe link: netto-loon
houdt in dat de netto (sociale)uitkeringen gekoppeld zijn aan het netto minimumloon. Bij stijging van het netto minimum loon zullen ook de netto (sociale)uitkeringen met eenzelfde percentage stijgen.
is het verkleinen van de inkomensverschillen. De inkomensverdeling is dan gelijkmatiger geworden..
beloning van de productiefactor arbeid. Het is het loon uitgedrukt in een geldeenheid, dus niet gecorrigeerd voor het prijspeil. Men spreekt ook wel van loon in lopende prijzen. Het reële loon wordt ook wel loon in constante prijzen genoemd.
is de eerste geleding van de bedrijfkolom. Het betreft dus het allereerste productiestadium van een product, zoals (meestal) de bewerkingen/ winning van grondstoffen .
is dat deel van de economie, waar men belastingen en premies ontduikt. Het is het zogenaamde zwarte circuit.
houdt in dat het bedrag aan uitkeringen in een bepaald jaar, gefinancierd wordt door premie betalingen door de actieven in datzelfde jaar. Dit betekent bijvoorbeeld dat de jongere generatie betaalt voor het AOW-pensioen van de oudere generatie. De bedrijfspensioenen worden in het algemeen gefinancierd door het kapitaaldekkingsstelsel.
is het inspraakorgaan van de werknemers in de onderneming.
kunnen bijvoorbeeld zijn: verschil in talent, ervaring, opleiding, verantwoordelijkheid, zwaarte van het werk, schaarste m.b.t. de deskundigheid, traditie, etc.
is een situatie waarbij de vraag naar arbeidskrachten het aanbod overtreft.
is het horizontaal samenvoegen van twee geledingen op eenzelfde hoogte van de bedrijfskolom. De onderneming neemt er in feite een andere activiteit bij. Voorbeelden van parallellisatie zijn het grootwinkelbedrijf (supermarkten en warenhuizen), en de ontwikkelingen in het bankwezen, waar het onderscheid tussen primaire banken en secundaire banken steeds verder gaat vervagen (branchevervaging).
is de beroepsbevolking uitgedrukt in een percentage van de beroepsgeschikte bevolking. De participatiegraad is bijvoorbeeld afhankelijk van de duur van de scholing (van jongeren), de mogelijkheid van flexibele pensionering en VUT-regelingen, het rollenpatroon / tweeverdienersschap, en de keuringseisen voor de WAO.
is een marktstrategie waarbij men bij een nieuw of verbeterd product de prijs relatief laag houdt om een zo'n groot mogelijk marktaandeel in handen te krijgen. Voorwaarde is wel dat de productiecapaciteit gemakkelijk kan worden uitgebreid en de vraag voldoende prijselastisch is.
is het (nationaal)inkomen verdeeld over alle inkomenstrekkers (natuurlijke personen).
zie het begrip beroepsgeschikte bevolking
het inkomen zoals dat via het prijsvormingsproces aan de productiefactoren
toevalt. De primaire inkomensvormen zijn loon, interest, pacht en winst.
Externe link: primair
inkomen
betreft de (financiële) beloning die men ontvangt voor het verrichten van arbeid. Concreet betekent dit dus het loon (salaris) en vakantiegeld. Deze voorwaarden zijn nauwkeurig omschreven in een arbeidscontract en/of CAO. In arbeidscontract of CAO zijn ook de secundaire arbeidsvoorwaarden omschreven.
is de sector waar de productiefactor natuur relatief belangrijk is, zoals landbouw, veeteelt, mijnbouw, bosbouw en visserij.
van het inkomen is de verdeling vóór aftrek van de inkomstenbelasting (en vóór bijtelling van de inkomensondersteunende subsidies). Deze verdeling kan gelijkmatiger gemaakt worden door aftoppen van de prijscompensatie, of door een loonmaatregel. Ook maatregelen die de deelname aan onderwijs bevorderen kunnen een inkomensnivellerend effect hebben, omdat hiermee de schaarste aan hoger opgeleiden minder wordt.
is dat deel van de loonstijging, die men ontvangt om het inkomen reëel op peil te houden, ingeval van inflatie. Zie ook automatische prijscompensatie.
betreft dat gedeelte van het recht, dat de verhouding regelt tussen particulieren (burgers, bedrijven en organisaties). Het publiekrecht regelt de verhouding tussen de overheid en particulieren.
is het afstoten van overheidstaken naar de particuliere sector. Dit betekent meestal dat de overheid haar belang (aandelen) in ondernemingen verkoopt aan particulieren. Voorbeelden van privatisering zijn de Postbank, PTT-telecom en de NS.
geeft het verband tussen de hoogte van de productie en de ingezette productiefactoren. De productiefactor die uiteindelijk de hoogte van de productie bepaalt, wordt de knelpuntfactor genoemd.
is een verticale organisatie van ondernemingen. Deze omvat geheel of gedeeltelijk een bedrijfskolom. De wettelijke basis tot het vormen van een productschap is de Wet PBO. Enkele voorbeelden van productschappen zijn: het productschap voor de akkerbouwproducten, - pluimvee en eieren, - voor oliën en vetten.
houdt in dat men bij een hoger inkomen relatief meer belasting betaalt. Deze heeft dus alleen invloed op de secundaire inkomensverdeling, net als de aftrekposten. De progressie heeft als gevolg dat de secundaire inkomensverdeling minder scheef is dan de primaire verdeling. Er vindt dus nivellering plaats.
is de directie van een vennootschap (NV of BV)
houdt namens de aandeelhouders toezicht op de directie en adviseert deze.
heeft een onderneming of organisatie, wanneer het zelfstandig schulden en bezittingen heeft, en dus een eigen afgescheiden vermogen heeft. De aansprakelijk van de eigenaren gaat niet verder dan de waarde van hun aandelen.
zijn: de eenmanszaak, de vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap, de besloten vennootschap, de naamloze vennootschap, de coöperatieve vereniging en de stichting. De laatste vier vormen zijn rechtspersonen.
houdt in dat in een land bepaalde productie vooral in bepaalde gebieden (= regio's) plaats vindt. Zo vindt men in Nederland de textielindustrie in Twente, de schoenindustie in Brabant, de bollenkwekers in Noord- en Zuidholland etc.
echt besteedbare beloning (in koopkracht uitgedrukt) van de productiefactor arbeid. Het reële loon kan uit het nominale loon worden berekend, door deze te delen door het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. Deze techniek wordt defleren genoemd. Het reële loon wordt ook wel loon in constante prijzen genoemd.
houdt in dat het inkomen ongelijk is verdeeld. Deze ongelijkheid is zichtbaar te maken met o.a. de Lorenzcurve. Tengevolge van de progressieve belastingheffing en de inkomens ondersteunende subsidies (b.v. huursubsidie) is de secundaire inkomensverdeling minder scheef dan de primaire.
het primaire inkomen minus belastingen
en sociale premies en gecorrigeerd voor inkomensoverdrachten
(zoals bijvoorbeeld huursubsidie).
Externe link: secundair
inkomen
alle voorwaarden die niet direct tot het looninkomen zijn terug te voeren, zoals werktijden, vakantieregeling, werkomstandigheden, pensioenregeling, scholingsfaciliteiten, medezeggenschap etc.
betreft de industriële sector en nijverheid.
werkloosheid die het gevolg is van het wegvallen van bepaalde produkties in bepaalde jaargetijden.
betreft de werknemersbonden (vakbeweging) en werkgeversgeversbonden als (overleg)partners in de Stichting van de Arbeid.
is een adviesorgaan voor de overheid en bestaat uit 33 leden.(11 leden benoemd door werknemersorganisaties, 11 leden benoemd door werkgeversorganisaties en 11 leden als onfhankeleijke deskundigen, benoemd door de de regering). Vroeger bestond de SER uit 45 leden (15,15,15). De SER is ook het toporgaan van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Naast het uitbrengen van adviezen vervult de SER ook speciale opdrachten zoals het opstellen van de SER-fusiecode. Deze gedragregels houden in dat bij een fusie de aandeelhouders en de werknemers tijdig van deze plannen op de hoogte gesteld worden.
geeft aan in welke mate de onderneming aan haar totale schulden kan voldoen (eventueel na liquidatie). In de bedrijfseconomie neemt men daarvoor vaak de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen.
is het horizontaal afstoten van activiteiten. Het tegenovergestelde is parallellisatie.
een privaatrechtelijke organisatie opgericht door de werkgevers en de vakbeweging, waarbinnen het centrale overleg over lonen en andere arbeidsvoorwaarden plaats vindt.
is de periode dat een machine technisch gesproken zou kunnen produceren, dus rekening wordt gehouden met alleen de technische slijtage.
secundair inkomen gecorrigeerd voor het gebruik van gratis of gesubsidieerde
overheidsdiensten.
Externe link: tertiair
inkomen
is de dienstensector waar het winststreven belangrijke is. Deze sector noemt men ookwel de sector commerciële dienstverlening.
zijn de kosten van het ruilverkeer. Voorbeelden zijn onderhandelingskosten, informatiekosten en het vinden van een onderhandelingspartner. Een veronderstelling in het zogenaamde Coase-theorema is, dat als de partijen elkaar moeiteloos en zonder kosten kunnen vinden de transactiekosten nul zijn. In werkelijkheid zullen de transactiekosten meestal niet nul zijn.
is een onbezette arbeidsplaats, waarvoor iemand gezocht wordt.
is een organisatie van werknemers van één of meer bedrijfstakken of beroepsgroepen. Voorbeelden van vakbonden zijn: de Ambtenarenbond, de Industriebond, de Voedingsbonden, de Vervoersbonden, de Onderwijsbond, etc.
is een overkoepelende organisatie van vakbonden. In Nederland zijn er de volgende drie vakcentrales: de FNV, het CNV en de MHP.
werkgelegenheid die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komt, omdat er geen officiëel inkomen wordt verdiend. Bijvoorbeeld het zwartwerken of het vrijwilligers werk.
zijn te onderscheiden in integratie, differentiatie, parallellisatie en specialisatie.
werkloosheid die niet in de officiële cijfers tot uit drukking komt. Bijvoorbeeld zij die zich niet melden bij het arbeidsbureau, omdat zij zich toch kansloos achten,( en geen recht hebben op een uitkering). Ook zij die wel werk hebben maar eigenlijk niet productief zijn (zoals bijvoorbeeld in de voormalige Oostbloklanden het geval was, behoren tot de verborgen werklozen.
bestaan uit afschrijvingskosten en rente.
is het verschil tussen bezittingen en schulden. Bijvoorbeeld voor huiseigenaren vormt het verschil tussen de marktprijs van de woning en de hypotheek een belangrijk deel van het vermogen.
is de verdeling van het vermogen, of met andere woorden de verdeling van het bezit.
is sprake van als de productiecapaciteit volledig benut wordt. Dit wordt het bestedingsevenwicht genoemd.
is sprake van als iemand op jaarbasis het maximale aantal CAO-uren werkt. Iemand die minder werkt heeft een deeltijd of part-time baan
is in principe sprake van als werknemers- en werkgeversorganisaties per bedrijfstak over de hoogte van de lonen onderhandelen.
kunnen niet uit de economische wetenschap worden afgeleid, omdat deze berusten op politieke of godsdienstige overtuigingen. Het zijn persoonlijke meningen. In de economie als wetenschap gaat het om zijnsoordelen, d.w.z. om objectief toetsbare criteria. Dat economen soms het heel erg met elkaar oneens kunnen zijn, komt omdat men dan van heel verschillende vooronderstellingen uitgaat. Ook kunnen er verschillen (en fouten) in de informatie zijn, die dan weer leiden tot verschillende conclusies.
indien de productiefactor arbeid betaald wordt voor een geleverde prestatie in het productieproces.(Anders gezegd: er moet sprake zijn van betaalde arbeid.)
is de totale vraag naar de productiefactor arbeid. De werkgelegenheid is gelijk aan het bezette banen inclusief het aantal vacatures, en wordt meestal uitgedrukt in arbeidsjaren. Externe link: werkgelegenheid
is een bedrijf of organisatie die mensen in dienst neemt om tegen betaling werk te verrichten.
is een overkoepelende organisatie van werkgeversverenigingen. Enkele belangrijke werkgeverscentales zijn het VNO, het NCW, en het MKB.
is een vereniging van werkgevers om de belangen van (meestal) een bedrijftak te behartigen.
is de premies die de werkgever moet betalen voor de sociale verzekeringen van zijn werknmers. Hierdoor zijn de loonkosten hoger dan het brutoloon van de werknemers.Zie ook de wig.
is te onderscheiden in conjuncturele en structurele werkloosheid.
is de (officiële) werkloosheid uitgedrukt in een percentage van de beroepsbevolking.
geeft de wettelijke bepalingen wanneer een onderneming verplicht is tot het instellen van een ondernemingsraad en regelt de bevoegdheden.
is de Wet op de publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie. Op grond van deze wet kunnen belanghebbenden productschappen of bedrijfsschappen oprichten. Een verzoek hiertoe moet tot de SER worden gericht, welke instantie o.a. het toezichthoudend orgaan is.
is het verschil tussen de loonkosten
van de werkgever het het nettoloon van de werknemer. De loonkosten zijn voor
de werkgever hoger, dan het brutoloon
van de werknemer, omdat de werkgever ook nog een deel van de sociaal verzekeringspremies
voor de werknemr betaalt.
Externe link: wig
zie officieuze economie.
Disclaimer
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |