..........................................................................................
geld dat wordt aangehouden omdat de ontvangsten en uitgaven niet samenvallen. In de liquiditeitsvoorkeurstheorie van Keynes wordt dit het transactiemotief genoemd. Met de actieve kas wordt effectieve vraag uitgeoefend.
zijn geldscheppende banken, zoals bijvoorbeeld ABN-AMRO, ING, Rabo-bank, Postbank etc..Deze banken zijn op een breed terrein actief. De algemene banken behoren dus tot de primaire banken.
is een overzicht van alle bezittingen aan de linkerkant (activa of debetzijde) en de schulden plus het eigen vermogen aan de rechter kant (passiva of creditzijde) op een bepaald moment.Ook wordt een balans wel gedefinieerd als een staat, waar links de samenstelling van de bezittingen en rechts de herkomst (de bronnen) van het vermogen staat.
een bank is een dienstverlende onderneming op financieel gebied. De laatste jaren heeft er branchevervaging plaatsgevonden. Ze doen veel meer dan alleen financiële zaken. Sommige banken zijn complete reisbureau's, andere bieden een uitgebreid verzekeringspakket aan. Men onderscheidt primaire en secundaire banken, maar dit onderscheid is ook steeds meer aan het vervagen. In Nederland is het woord "bank" beschermd. Dit betekent dat een instelling zich alleen bank mag noemen als De Nederlandsche Bank daarvoor toestemming heeft verleend.
bestedingsinflatie
(demand pull).........................................................![]()
prijsinflatie dat veroorzaakt wordt door te hoge bestedingen. De effectieve vraag overtreft de productiecapaciteit. Zie ook het begrip inflatie.
is een middel waarmee giraal kan worden betaald, zoals de girobetaalkaart en de Eurocheque. Het is dus zelf geen geld, maar een middel waarmee over geld beschikt kan worden.
is hetzelfde als de totale liquiditeitenmassa.
is al het stoffelijke geld (munten en bankbiljetten)
is bankpas die voorzien is van een geheugenchip. De chipcard moet uiteindelijk de betaalcheque gaan vervangen.
is een schuldeiser. Iemand die geld naar de bank heeft gebracht ( en gestort op een rekening-courant of spaarrekening), is van die bank een crediteur en dit wordt op de creditzijde (passiva zijde) vermeldt.
is een schuldenaar. Iemand die bij een bank geld heeft geleend is een debiteur van die bank, en deze vermeldt dit aan de debetzijde (activa zijde) van de balans.
is een situatie waarbij de effectieve vraag afneemt, waardoor het algemeen prijspeil zou kunnen dalen. Er is sprake van monetaire deflatie als de som van geldschepping en ontpotting kleiner is dan de som van geldvernietiging en oppotting. In de verkeersvergelijking van Fisher betekent het dat de geldstroom (M x V) afneemt. (Men zegt ook wel: smaller wordt)
is het tegen elkaar uitwisselen van goederen den diensten zonder gebruik van geld. Dit noemt men ook wel ruil in natura.
..
is de naam voor de gemeenschappelijke geldeenheid (munt) van de Europese Monetaire Unie (EMU). De EMU is vorlopig nog slechts een deel van de Europese Unie. Sinds 1 januari 1999 is de onderlinge koersverhouding van de lidstaten vastgelegd en is de naam ECU definitief gewijzigd in euro. Het is de bedoeling om de eurobankbiljetten en euromunten in het jaar 2002 in te voeren. De waarde van 1 euro is voor België 40,3399 BEF (frank), voor Duitsland 1,95583 DEM (mark), voor Finland 5,94573 FIM (markka), voor Frankrijk 6,55957 FRF (franc), voor Ierland 0,787564 IEP (pond), voor Italië 1936,27 ITL (lire), voor Luxemburg 40,3399 LUF (frank), voor Nederland 2,20371 NLG (gulden), voor Oostenrijk 13,7603 ATS (schilling), voor Portugal 200,482 PTE (escudo), voor Spanje 166,386 ESP (peseta).
is geld dat aanvaard wordt doordat men vertrouwen heeft in degene die het in omloop heeft gebracht.De nominale waarde is dan ook aanzielijk hoger dan de intrinsieke waarde. Ons geldstelsel is volledig fiduciair.
is de substitutie, omdat alleen de samenstelling van het geld verandert en niet de omvang.
zijn: ruilmiddel, rekeneenheid en oppotmiddel. De eerste twee noemt men de oorspronkelijke functies, de derde de afgeleide functie.De ruilmiddelfunctie maakt de indirecte ruil mogelijk, waardoor vergaande arbeidsverdeling (= specialisatie) mogelijk is geworden, met als gevolg een grote toename van de arbeidsproductiviteit. Geld als rekeneenheid maakt het vergelijken van verschillende prestaties mogelijk, en de oppotfunctie geeft de mogelijkheid tot het uitstellen van de consumptie (= sparen).
is alles wat algemeen aanvaard is als ruilmiddel. Geld is ongedifferentieerde koopkracht hetgeen betekent dat geld niet aan bepaalde goederen is gebonden, maar altijd wordt aanvaard. Zie ook de functies van geld
is het verschijnsel dat mensen denken dat ze rijker zijn geworden na een loonsverhoging terwijl zij er reëel er niet op vooruitgegaan zijn, omdat de prijzen ook gestegen zijn. Zie inflatie
zijn alle instellingen die de maatschappelijke geldhoeveelheid kunnen laten toenemen.Dit zijn de centrale overheid, de centrale bank en de overige primaire banken
is iedere handeling die de maatschappelijke geldhoeveelheid doet toenemen.Men onderscheidt substitutie, transformatie en wederzijdse schuldaanvaarding.
zie de maatschappelijke geldhoeveelheid.
is de waardevermindering van het geld, die het gevolg is van een algehele prijsstijging van goederen en diensten. Zie inflatie.
is het product (= vermenigvuldiging) van de maatschappelijke geldhoeveelheid (M) en de omloopsnelheid (V) van het geld. In symbolen => MV. Zie ook de verkeersvergelijking van Irving Fisher.
is iedere handeling die de maatschappelijke geldhoeveelheid doet afnemen.
is de reciproke waarde (= omgekeerde waarde) van de omloopsnelheid van het geld. Is het symbool (V) de omloopsnelheid van het geld, dan is de gemiddelde rusttijd (1 / V).
is onstoffelijk geld. Het bestaat uit de onmiddellijk opeisbare tegoeden bij geldscheppende instellingen waarover door opvraging of overschrijving kan worden beschikt.
goud vormt de basis van het geldstelsel. De bankbiljetten zijn gedekt door goud. Men heeft o.a. de volgende varianten gekend: tot 1914 de gouden muntenstandaard, tussen 1918 en 1936 de goudkernstandaard en van 1945 tot 1971 de goudwisselstandaard.
is een geldstelsel waarbij de bankbiljetten wel gedekt zijn door goud, maar het publiek niet de bankbiljetten voor goud kan inwisselen (behoudens uitzonderingen t.b.v. internationale betalingen). Naast de volwaardige munten kwamen ook onvolwaardige munten in omloop. Deze onvolwaardige munten worden tekenmunten genoemd
is de meest volledige door goud gedekte standaard. De bankbiljetten zijn gedekt door goud en het publiek heeft het recht de bankbiljetten voor goud in te wisselen. Het muntgeld is intrinsiek volwaardig.
is vergelijkbaar met de kernstandaard, maar naast goud doen ook goudwissels (= vorderingen luidende in goud) als dekking dienst. Na 1945 heeft Nederland een goudwisselstandaard gekend tot 1971 waarbij de dollar de rol van goudwissel heeft gespeelt. Omdat de dollar na de devaluatie in 1971 niet meer inwisselbaar was voor goud, kwam er een einde aan de goudwisselstandaard.
..
is inflatie met een zeer hoog percentage. Berucht is de hyperflatie in Duitland omstreeks het jaar 1923.
geld dat wordt aangehouden vanweg het beleggings- en voorzorgsmotief. De vraag naar de inactieve kas is rentegevoelig. Wanneer de rente hoger wordt neemt de vraag af omdat men meer rente derft. Men zegt ook wel dat de liquiditeitsvoorkeur dan afneemt.
is het tegen elkaar uitwisselen van goederen en diensten, waarbij geld als tussengoed wordt gebruikt. De indirecte ruil heeft geleid tot een stijging van de arbeidsverdeling. Zie ook de functies van geld.
betekent eigenlijk groter worden, aanzwellen of opblazen. Hiermee kan bedoelt worden dat alleen de geldstroom (M x V) groter is geworden, en dat dus het prijspeil nog niet hoeft te stijgen. In dat geval spreekt men van monetaire inflatie. Wanneer tevens het prijsniveau omhoog gaat, wordt dat prijsinflatie genoemd. Prijsinflatie kan weer onderscheiden worden naar oorzaak. Zo onderscheidt men de bestedingsinflatie (demand pull) en de kosteninflatie (cost push).
is de waarde Vy uit de formule M x Vy = Y ; Y neemt als nationaal inkomen wel de plaats in voor (P x T) in de verkeersvergelijking van Fisher, maar is daar niet gelijk aan. De bovenstaande formule kan ook geschreven worden als M x Vy = P x Yr ; Hierin is Yr het reële nationaal inkomen, en dat is niet gelijk aan T. In de verkeersvergelijking is T de goederentransacties, die (omdat niet van toegevoegde waarde wordt uitgegaan) vele malen groter is dan het reële nationaal inkomen.
materiaalwaarde (= stofwaarde) van geld. Concreet betekent het de waarde van het geld bij verkoop als "oud metaal" (of als "oud papier"). De kosten van aanmunten behoren dus niet tot de intrinsieke waarde. Men onderscheidt standaardmunten, tekenmunten en pasmunten.
is de reële waarde van de gulden. Het is de tegenwaarde in goederen en diensten.
prijsinflatie dat veroorzaakt wordt door kostenstijging voor de ondernemingen. De prijzen van de productiefactoren stijgen; zoals energie, gronstofprijzen, lonen, (milieu)heffingen duurdere invoer, etc.... De oorzaak ligt dus bij de aanbodzijde van de economie.
is de verhouding tussen de kasmiddelen en de directopeisbare schulden. Voor primaire (particuliere) banken geldt dat zij bij het kasgeld ook hun tegoed bij DNB mogen rekenen. Zie ook liquiditeitsvoorschriften
is de totale liquiditeitenmassa (= de som van de primaire en secundaire liquiditeiten) als percentage van het nationaal inkomen.
voorschriften betreffende de verhouding tussen kasmiddelen en onmiddelijk opeisbare schulden. Als bankliquiditeit mogen de primaire banken bij hun kasgeld ook hun tegoed rekenen bij DNB; dit totaal als percentage van de girale verplichtingen (crediteuren in rekening courant) is het liquiditeitspercentage.
is een door Keynes geintroduceerd begrip. Deze theorie houdt in dat de voorkeur voor inactief geld toeneemt als de rente (= interest) daalt. De verklaring hiervoor is, dat het rente offer kleiner wordt en men dus liever geld in liquide vorm aanhoudt, op grond van het voorzorgs- en speculatiemotief. De transactie kas is volgens deze theorie niet afhankelijk van de rentestand (= intereststand).
al het chartale en girale geld in handen van het publiek (uitgezonderd het geld in handen van geldscheppende instellingen). De maatschappelijke geldhoeveelheid wordt ook wel primaire liquiditeitenmassa genoemd, door DNB ook wel aangeduidt met M1. Onder publiek wordt verstaan de consumenten, de ondernemingen (behalve de geldscheppende banken) én de overheid. N.B.: In oude boeken komt men de overheid als geldscheppende instantie tegen. Maar in het kader van de EMU mogen de europese overheden niet meer monetair financieren.
is geldschepping, die de maatschappelijke geldhoeveelheid in omvang doet veranderen. Dit in tegenstelling tot de formele geldschepping., die de maatschappelijke geldhoeveelheid alleen in samenstelling doet veranderen.
De som van geldschepping en ontpotting is groter dan de som van geldvernietiging en oppotting. De geldstroom (MV) is groter geworden.
is sprake van als: geldschepping + ontpotting = geldvernietiging + oppotting. Uitgaande van de verkeersvergelijking van Fisher is de geldstroom (MV) constant. In geval van het IS/LM model is sprake van monetair evenwicht als de geldvraag gelijk is aan het geldaanbod, dus als L = M.
wordt kortweg ook wel liquiditeitsquote genoemd.
rente waarbij geen rekening is gehouden met het prijspeil.
de op de munt aangegeven waarde.
bewijs van deelname aan een langlopende lening (met een vaste looptijd en vaste rente).
is een maatstaf hoe vaak het geld van hand tot hand gaat in een bepaalde periode. Het is het symbool V in de verkeersvergelijking van Irving Fisher. De reciproke waarde (1 / V) wordt de gemiddelde rusttijd van het geld genoemd.
spaargeld met een hoge omloopsnelheid. Een deel van de spaartegoeden worden weer snel opgenomen. Dit gedeelte van het spaargeld behoort tot de secundaire liquiditeitenmassa.
zie geld.
is geld "overhevelen" van de inactieve kas naar de actieve kas. Of eenvoudiger gezegd: geld dat men in reserve heeft gehouden weer gaat besteden. Het gevolg is dat de omloopsnelheid van het geld toeneemt.
is geld "overhevelen" van de actieve kas naar de inactieve kas. Het geld wordt in reserve gehouden uit voorzorgs- of speculatiemotief. Veel leerboeken spreken over geld in een "oude kous" stoppen, omdat men wel ieder moment over het geld kan beschikken. Het wordt dus niet tegen rente op de bank vastgezet. Bij het oppotten derft men rente, d.w.z. men brengt een rente offer, omdat de liquiditeitsvoorkeur is toegenomen. Verwar oppotten en sparen niet. Als men oppot dan spaart men wel, maar sparen is niet altijd oppotten! Het opgepotte geld behoort gewoon tot de maatschappelijke geldhoeveelheid, met als gevolg dat de omloopsnelheid van het geld bij oppotting daalt.
er is geen relatie meer tussen de munteenheid en een hoeveelheid goud. In feite is er geen dekking meer. Men spreekt ook wel van een non-metallieke standaard.
zijn onvolwaadige munten die wettig betaalmiddel zijn tot een beperkt bedrag. Alle Nederlandse munten zijn pasmunten ofwel tekenmunten.
is een geldscheppende bank. Van deze banken zijn de kortlopende schulden giraal . Dit is op de balans de post crediteuren in Rekening-Courant.
geld behorend tot de maatschappelijke geldhoeveelheid. Dit zijn de munten, bankbiljetten en het girale geld.
algehele stijging van het gemiddeld prijsniveau. Als stijgingsmaatstaf neemt men het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. Men onderscheidt bestedingsinflatie en kosteninflatie.
werkelijke rente in koopkracht uitgedrukt. Dit is de nominale rente gecorrigeerd voor de prijsinflatie.
is de waarde van van een munteenheid gecorrigeerd voor de prijsinflatie. Het corrigeren voor de inflatie noemt men defleren.
geld heeft ook een rekenfunctie, omdat het gebruik van geld het mogelijk maakt om waarden van verschillende goederen te vergelijken. Geld is dus ook een waardemeter. Andere functies van geld zijn ruilmiddel en oppotmiddel.
direkt opeisbaar boektegoed van een klant bij een bank; kan zowel debet (="rood") als credit (= tegoed) staan op de balans. Omdat men met het rekening-courant ook betalingen kan verrichten is in feite het girale geld ontstaan.
is het tegen elkaar uitwisselen van prestaties (goederen endiensten). Men onderscheidt directe en indirecte ruil...
is de functie van geld als tussengoed. Zie ook functies van geld.
deze banken kunnen geen geldscheppen, maar moeten het geld dat ze uitlenen ook zelf lenen. Voorbeelden van secundaire banken zijn de "oude" spaarbanken en hypotheekbanken. De laatste jaren worden door DNB, als gevolg van branchevervaging, de (meeste) spaarbanken tot de primaire banken gerekend.
liquide vorderingen op geldscheppende instellingen en de overheid voor zover deze op vrij korte termijn, zonder veel kosten en zonder belangrijk koersverlies en masse kunnen worden omgezet in geld. Deze liquiditeiten worden ook wel "bijna geld" genoemd.
is het zich toeleggen op de beste kwaliteiten. Het onstaan van geld heeft vergaande specialisatie mogelijk gemaakt. Zie de functies van geld.
als beleggers een rentestijging en dus een koersdaling van obligaties verwachten zullen zij wachten met beleggen en hun geld in kas bewaren
zijn volwaardige munten. De intrinsieke waarde is gelijk aan de nominale waarde. Tegenwoordig zijn alle munten tekenmunten, omdat de waarde niet meer door het metaalgewicht, maar door het teken dat de overheid er op heeft aangebracht wordt bepaald. De nominale waarde van tekenmunten overtreft de intrinsieke waarde.
het door de bank inwisselen van chartaal geld in giraal geld of omgekeerd. De omvang van de maatschappelijke geldhoeveelheid verandert niet, maar de samenstelling wel. Hier is dan geen sprake van materiële geldschepping/vernietiging, maar wel van formele.
zijn munten waarvan de waarde niet wordt bepaald door de metaalwaarde, maar door het teken dat de overheid er op heeft aangebracht. De nominale waarde is dus groter dan de intrinsieke waarde. Daarnaast kent men nog het begrip pasmunt. Tekenmunten waren vroeger onvolwaardige munten met onbeperkte wettelijke betaalkracht en pasmunten waren onvolwaardige munten die wettig betaalmiddel waren tot een beperkt bedrag. Tegenwoordig zijn alle Nederlandse munten pasmunten, zodat de twee termen door elkaar kunnen worden gebruikt.
spaargeld dat voor enige (meestal korte) tijd is vastgezet. Op deze rekening krijgt men een wat hogere rente, dan op de gewone spaarrekening. De kortlopende termijndeposito's worden tot de secundaire liquiditeiten gerekend.
som van de primaire en de secundaire liquiditeitenmassa. De totale liquiditeitenmassa wordt ook wel vaak de binnenlandse liquiditeitenmassa genoemd, en wordt door DNB als M3 aangeduid..
doordat ontvangsten en uitgaven niet samenvallen in de tijd, hebben bedrijven en gezinnen kasgeld nodig. Dit motief ligt ten grondslag aan de actieve kas, waarmee effectieve vraag wordt uitgeoefend. In de liquiditeitsvoorkeurstheorie van Keynes is de actieve kas rente ongevoelig, maar is afhankelijk van het nationaal inkomen.
omzetten van geld in niet-geld (of omgekeerd) tussen geldscheppende instellingen en publiek. Gevolg is geldvernietiging of geldschepping. Bijvoorbeeld geld storten op een termijn- deposito, aan- en verkoop van vreemde valuta etc.
is de identiteit: M x V = P x T ; hierin is M de maatschappelijke geldhoeveelheid, V de omloopsnelheid van het geld, P een maatstaf voor het algemeen prijspeil en T de goederen transacties.T is niet het reële nationaal inkomen, maar alle transacties in een bepaalde periode, en is hierdoor veel groter dan het reële nationaal inkomen, vanwege de dubbeltellingen (denk aan het toegevoegde waarde probleem: graan, meel en brood). De vermenigvuldiging van M x V heet de geldstroom.
in verband met onvoorziene gebeurtenissen in de toekomst, wenst het publiek extra kasgeld aan te houden. Dit motief ligt samen met het speculatiemotief ten grondslag aan de inactieve kas. In de liquiditeitsvoorkeurstheorie van Keynes is de inactieve kas rentegevoelig.
zie geldschepping
kredietverlening door primaire banken middels het rekening-courant, waarbij de bank een kortlopende schuld erkent aan de kredietnemer (in de rol van crediteur), en de kredietnemer een schuld aangaat met de bank (als debiteur). Deze vorm van geldschepping is de belangrijkste oorzaak dat de maatschappelijke geldhoeveelheid vrij snel kan toenemen. Daarom houdt DNB hier toezicht op.
betekent dat de schuldeiser bankbiljetten moet aanvaarden als betaling. Ook al vinden de meeste betalingen giraal plaats, het girale geld is geen wettig betaalmiddel.
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |