..
zie begrippen L.2
is kapitaal. Dit is oorspronkelijk niet aanwezig en moet dus eerst gemaakt worden met de oorspronkelijke productiefactoren natuur en arbeid, en met behulp van de reeds eerder geproduceerde kapitaalgoederen. Het produceren met en van kapitaalgoederen wordt omwegproductie genoemd.
is een maatstaf voor de mate van samenvoeging (sommering) van economische grootheden. Een hoge aggregatiegraad houdt in dat een bepaald economisch begrip veel omvattend is. De macro-economie is de hoogste aggregatiegraad, de micro-economie de laagste.
betekent dat de middelen op verschillende manieren gebruikt kunnen worden.
is de mens als productiefactor. Het is ook een oorspronkelijke productiefactor, waarvan de kwaliteit door veel zaken bepaald wordt, zoals scholing. De beloning voor de productiefactor arbeid is loon.
betekent dat een land economisch onafhankelijk is van het buitenland.
houdt in dat niet alleen lichamelijke arbeid wordt vervangen door machines, maar ook niet-lichamelijke arbeid. De mens wordt volledig vervangen op het terrein van het besturen en controleren van het productieproces. Zie ook diepte-investeringen begrippen L.6
is een dienstverlenende onderneming op financiëel gebied.
alle wensen die men in vervulling wil zien gaan. De behoeften zijn niet te
meten maar wel naar dringendheid te rangschikken. De behoeften behoren tot
de data van economie.
Een grootheid die alleen naar dringendheid te rangschikken is noemt men ook
wel een ordinale grootheid.
worden door de overheid opgelegd aan belastingplichtigen, zonder dat daarvoor een directe tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat. Is dit wel het geval dan spreekt men van een retributie, (bijvoorbeeld tolgeld, havengeld, wegenbelasting, school- en collegegeld).
is een samenwerkingsverband op economisch gebied tussen België, Nederland en Luxemburg, opgericht in 1944 als douane-unie, en in 1957 als doelstelling een economische unie.
zijn alle uitgaven die gedaan worden om behoeften te bevredigen.(Zie ook L.3 effectieve vraag)
zie begrippen L.3
is een overzicht van ontvangsten uit en betalingen aan het buitenland over een periode van een jaar. Zie ook begrippen L.10
alle betalingen, nodig om de gekochte goederen en diensten te kunnen betalen, vormen samen het betalingsverkeer. Men onderscheidt het binnenlands en buitenlands betalingsverkeer.
is het doorbreken van de grenzen van afzonderlijke branches. Bijvoorbeeld de supermarkten, die vaak begonnen als kruidenier, werden levensmiddelenbedrijven doordat ze brood, melkproducten, vlees en groenten gingen aanbieden. De branchevervaging ging nog verder, door het aanbod van cosmetica, tijdschriften, bloemen en textiel.(Zie ook parallellisatie, begrippen L.6)
houdt zich bezig met de relatie tussen koper en verkoper. Een belangrijk onderdeel van de commerciële economie is de marketing.
de oorzaak van de werkloosheid ligt bij de vraagzijde van de economie. Zie begrippen L.3
iedereen die goederen koopt om daarmee in behoeften te voorzien
is het aankopen van goederen door de consument.
een datum is een feit dat voor een wetenschap (zoals de economie)
een belangrijke factor is, maar het verklaren van dat feit wordt aan andere
wetenschappen overgelaten. Concreet vormen zij de grenzen van een wetenschapsgebied.
De data van de economie zijn: de behoeftenschema's, hoeveelheid en kwaliteit
van de productiefactoren, economische
orde, en de stand van de technische kennis.(N.B. de hoeveelheid van de
productiefactor kapitaal is geen datum, immers het investeren
is een economische grootheid waarover de economie
als wetenschap iets over moet kunnen zeggen.)
diensten zijn niet tastbare zaken.Het kenmerkend verschil tussen een concreet goed en een dienst is dat een dienst niet op voorraad geproduceerd kan worden.
is het verkopen van goederen in het buitenland tegen lagere prijzen dan in eigen land.
zijn goederen die langere tijd meegaan. Het zijn consumptiegoederen, omdat
ze door de consument zijn aangeschaft. Men spreekt ook wel van gebruiksgoederen.
Zijn de consumptiegoederen niet-duurzaam, dan spreekt men van verbruiksgoederen.
Tegenwoordig heeft het begrip duurzaam meer de betekenis gekregen dat het
niet (of minder) schadelijk is voor het milieu. Een voorbeeld is dat in de
strijd tegen het broeikaseffect meer geinvesteerd moet worden in duurzame
energie.
is het wiskundig en statistisch beoefenen van de economische wetenschap. In de econometrie probeert men de economische verschijnselen doormiddel van wiskundige modellen te kwantificeren (= uit te drukken in getallen). In Nederland houdt het Centraal Planbureau zich hier vooral mee bezig.Zie ook begrippen L.9
is de wetenschap die de mens bestudeert in zijn streven zijn behoeften te bevredigen met schaarse alternatief aanwendbare middelen. Naast de betekenis van wetenschap wordt het woord economie gebruikt als een economische situatie in een land. De economische wetenschap is, net als de natuurwetenschappen, een empirische wetenschap. Dat betekent dat men een bepaald object bestudeert (en liefst mee experimenteert), en dat object is dus de mens. Alleen zijn economische experimenten onder laboratorium omstandigheden nauwelijks mogelijk. Laboratorium omstandigheden betekent dat men gewenste grootheden varieert, en alle andere omstandigheden zorgvuldig constant houdt, opdat men oorzaak en gevolg op het spoor komt. Bij economische beweringen dient men hier rekening mee te houden, dat uitgaande bepaalde vooronderstellingen, het resultaat alleen geldt onder bepaalde constant gedachte omstandigheden. Deze voorwaarde noemt men de ceteris paribus clausule, wat letterlijk betekent: al het overige is constant..
betekent dat elk individu er naar zal streven om met zo weinig mogelijk offers een gewenst niveau van bevrediging van de behoeften probeert te bereiken.
zijn alle goederen die schaars zijn
zie begrippen L.2
is de manier waarop het economisch leven is georganiseerd. Zie ook begrippen L9
zie duurzame consumtiegoederen.
is alles wat algemeen aanvaard wordt als ruilmiddel. Zie ook begrippen L.4
zijn alle zaken die nuttig zijn. Hierbij gaat het om zowel tastbare als om niet-tastbare zaken zoals diensten.
is een situatie van overbesteding. Zie begrippen L.3
is een economische eenheid, die zelfstandig opereert. Bijvoorbeeld een gezin, een organisatie, of bedrijf, of de overheid.
is de beloning voor de productiefactor kapitaal. Het is in feite de prijs voor het gebruik van geleend vermogen (krediet). Meestal wordt het woord rente gebruikt. De kredietverlener (crediteur) verwacht een bepaalde vergoeding, die afhankelijk is van de kredietwaardigheid van de kredietnemer (debiteur), de looptijd van het krediet en het verwachte niveau van inflatie (geldontwaarding).
is het aankopen van goederen door de producent. Per definitie zijn deze goederen kapitaalgoederen, hetzij vast of vlottend. (zie ook begrippen L.2) De productie van kapitaalgoederen is omwegproductie, waarvoor (strikt economisch gezien) gespaard moet worden. Sparen in de betekenis van 'afzien van consumptie', opdat er productiefactoren vrij komen om de kapitaalgoederen te kunnen maken.
wordt in de algemene economie meestal opgevat als reëel kapitaal, d.w.z. goederen als productiefactor, integenstelling tot geldkapitaal dat een som geld is (vermogen). Kapitaal is een afgeleide productiefactor.
is een goed dat door de producent is aangekocht, en bestemd is om er mee te produceren. Een kapitaalgoed is een (afgeleide) productiefactor. Men spreekt ook wel over reëel kapitaal. Zie ook begrippen L.2
is een situatie van onderbesteding. Zie de begrippen L.3
is de beloning voor de productiefactor arbeid. Hier vallen alle andere namen onder, die beloningen inhouden voor arbeid, zoals bijvoorbeeld: salaris, vakantiegeld, bonus, 13e maand, gratificatie, honorarium, wedde, etc..
is dat deel van de economische wetenschap dat de samenhang bestudeert tussen de zogenaamde geaggregeerde economische(zie begrippen L.2) grootheden. Bijvoorbeeld de hoogte van het nationaal inkomen, de nationale consumptie, saldo op de betalingsbalans etc.
bestudeert de economische processen op bedrijfstakniveau. De overgang van micro- naar meso-economie is niet precies aan te geven. Meso-economie heeft een hogere aggregatiegraad dan micro-economie, maar een lagere dan de macro-economie.
is dat deel van de economische wetenschap dat de samenhang bestudeert tussen de individuele economische grootheden. Bijvoorbeeld het verklaren van (de hoogte van) de prijs van een bepaald goed is. Omdat dit voorbeeld zo kenmerkend is voor de micro-economie wordt dit deel van de economische wetenschap ook wel de "prijstheorie" genoemd.
is een vereenvoudigde wergave van de werkelijkheid.Zie ook begrippen L.3
zie begrippen L.2
zie begrippen L.2
betreft als productiefactor alle soorten natuurlijke hulpbronnen zoals grond, natuurlijke hulpbronnen zoals klimaat, viswater, delfstoffen (in de grond) etc.. N.B.de delfstoffen, die reeds gewonnen zijn, behoren tot het vlottend kapitaal!
zijn goederen die na aanschaf in éénkeer worden verbruikt.
is het vermogen van een goed om in behoeften te voorzien.
is de productie met behulp van de afgeleide productiefactor kapitaal. Eerst moet het kapitaalgoed gemaakt worden, dan pas kan met de productie van het voor consumptie bestemde goed begonnen worden.
is de opvatting dat het ondernemen, het (economisch)risico durven nemen, een aparte productiefactor is. Hier hebben niet alle economen (economisten) dezelfde opvatting over. Steeds meer economen beschouwen de ondernemersactiviteit als een vorm van arbeid. Wordt de ondernemersactiviteit als een aparte productiefactor gezien, dan kan men de winst als de beloning voor deze productiefactor beschouwen.
combineert de drie productiefactoren. Zie de ondernemersactiviteit.
zijn natuur en arbeid. Kapitaal noemt men de afgeleide productiefactor, de productie hiervan noemt men ook wel omwegproductie.
zie begrippen L.2
is de beloning voor de productiefactor natuur.
zie begrippen L.2
zie ondernemer.
is het combineren van productiefactoren, waarbij goederen (en dus ook diensten) worden voortgebracht, of voor consumptie geschikt gemaakt worden. De nuttigheid van een goed wordt verhoogd. Een verouderde opvatting is dat economisch gezien alleen sprake is van productie, als dit voor de markt (voor verkoop) bestemd is. Bijvoorbeeld zelf aardappelen verbouwen in een volkstuin, (omdat dat dus niet voor de handel is), zou economisch dan geen productie zijn. Veel economen zijn het hier nier mee eens. Wel is het zo dat niet alle productie meetbaar is, en derhalve niet in het nationaal product wordt opgenomen. Dit zelfde geldt voor vrijwilligerswerk. Zodra hetzelfde werk officiëel wordt betaald, wordt het ook tot het nationaal product gerekend.
is een middel waarmee geproduceerd kan worden. Er worden drie productiefactoren onderscheiden: natuur, arbeid en kapitaal . De eerste twee noemt men oorspronkelijk, en kapitaal noemt men de afgeleide productiefactor. De opvatting dat er nog een vierde productiefactor zou zijn, de ondernemersactiviteit, wordt door veel economen als onjuist gezien.
is de prijs voor krediet. Men kan de rente globaal indelen naar geldmarktrente
(deze korte rente betreft leningen met een looptijd korter dan een jaar) en
kapitaalmarktrente (de lange rente met een looptijd langer dan een jaar).
Zie ook het begrip interest
iets is schaars als er productiefactoren voor moeten worden aangewend (opgeofferd), die voor iets anders gebruikt kunnen worden. Deze productiefactoren worden dus ontrokken aan hun alternatieve aanwendbare richting.
is de spanning tussen de middelen en de behoeften, in feite dus welvaartstekort.
zie begrippen L.2
zie begrippen L.2
zijn kaptitaalgoederen die meerdere productieprocessen/ -perioden meegaan..Zie ook begrippen L.2
zie niet-duurzameconsumptie goederen
zijn kapitaalgoederen die slechts één productieproces/ -periode meegaan. Zie ook begrippen L.2. De handelsvoorraad van een ondernemer behoort dus tot het vlottend kapitaal, omdat ze maar één verkoopproces meegaan. Een BigMac in de keuken bij MacDonalds is dus een (vlottend) kapitaalgoed, omdat die nog in bezit is van de producent.
zijn goederen die niet schaars zijn. Bijvoorbeeld water, lucht, wind, zonlicht en de ongerepte natuur, maar door de negatieve externe effecten verdwijnen steeds meer vrije goederen. Bijvoorbeeld drinkwater is schaars omdat het gezuiverd moet worden; er moeten offers gebracht worden.
zijn alle werkzaamheden die niet gericht zijn op het verwerven van een inkomen.
is de mate waarin de behoeften bevredigd (kunnen) worden. In formulevorm zou men dit kunnen schrijven als middelen gedeeld door de behoeften. Dit is geen formule waarmee gerekend kan worden, omdat de behoeften niet te meten zijn. Toch ziet men met deze formule de betrekkelijkheid van het welvaarstbegrip, omdat als niet alleen de middelen toenemen maar ook de behoeften, dat dan de welvaart niet hoeft te stijgen! Deze betrekkelijkheid wordt nog duidelijk wanneer men onderscheid maakt in welvaart in enge zin en in ruime zin. Sommigen beweren dat het inkomen eigenlijk te hoog is, omdat geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de negatieve extere effecten. Anderzijds kan men beweren dat het inkomen eigenlijk te laag is, omdat geen rekening wordt gehouden met het de onbetaalde arbeid (vrijwilligerswerk, vriendendiensten, zelfklussen), en het zwart werken.
hier wordt alleen gekeken naar de materiële productie van goederen en diensten, en wordt geen rekening gehouden met de (negatieve) externe effecten, zoals de milieuvervuiling.
hier wordt niet alleen gekeken naar de materiële productie van goederen en diensten, maar men houdt nu ook rekening met de externe effecten, zoals de milieugoederen (zowel positief als negatief).
is de opbrenst minus de kosten in een bepaalde periode. Het
is de beloning voor het ondernemersrisico. Ook zijn er economen die het opvatten
als de beloning voor de productiefactor ondernemersactiviteit.
...................................................................
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |